stinkende stad

door addy schuurman

Serie: Publieke hygiëne, milieuproblematiek en duurzaamheid.

De huidige duurzaamheidsvraagstukken hebben een lange geschiedenis. Al in de negentiende eeuw werd het dagelijks leven van de gewone bevolking een punt van zorg. Artsen stelden bijvoorbeeld de slechte gezondheid van de Nederlanders ter discussie, en de slechte hygiënische toestanden waarin de bevolking leefde. In de loop van de twintigste eeuw werd het probleembegrip ‘hygiëne’ – waarin de gezondheid van de mens voorop staat – vervangen door een nieuwe concept: ‘milieu’. Dit gaf ook (de zorg over) de natuur een plaats in het debat. In het afgelopen decennium is het milieuthema vervangen door ‘duurzaamheid’. Hierbij is aan de zorg voor mens en natuur de schaarsteproblematiek (energie, grondstoffen) toegevoegd.

In enkele artikelen zal De Stadsbron ingaan op de lokale geschiedenis van deze fenomenen.

De stinkende stad.

Publieke hygiëne in negentiende eeuws Amersfoort.

Publieke hygiëne werd in Nederland na het midden van de negentiende eeuw een onderwerp van felle discussies. Iedereen had in die tijd de mond vol over ‘de vooruitgang’ en inderdaad waren er burgers die hun welvaart zagen toenemen. Maar de grote massa van stadsbewoners bleef achter. Hoe kwam dat? Deskundigen trokken de stad in en deden onderzoek naar de levensomstandigheden van ‘de volksklassen’. Ze stuitten op een onbeschrijfelijke stank en viezigheid. Ook in Amersfoort.

In 1860 richtte een groepje particulieren een Gezondheidscommissie op; een lobbygroep avant-la-lettre die bij het gemeentebestuur aanklopte om sociale misstanden aan te pakken. Zij bezochten straten, die zij normaal met gezwinde spoed voorbijliepen. In de huizen daar stuitten zij onder meer op “menigvuldige mestvaalten (welke zelfs op enkele plaatsen onder de bedsteden en op de zolders der woningen gevonden worden)”. Daarnaast zagen zij hoe het vuil via riolen en privaten in de stadsgrachten terecht kwam, “dezen laatsten als het ware tot opene vuile kanalen vormen, die hunne, in verrotting verkeerende dampen, vooral gedurende de zomermaanden en bij onvoldoende spuijing, tot walging en op den duur tot groot nadeel voor de gezondheid der ingezetenen over deze stad uitwasemen.” Daarbij kwam nog “dat bij de mindere volksklasse binnen deze gemeente het mesten van varkens een vrij algemeen gebruik is, terwijl bij de beperkte ruimte waarover deze klasse in de regel te beschikken heeft, deze dieren hunne hokken tot zelfs in de slaapkamers hebben.” De conclusie: “voorzeker behoort reinheid nog niet tot die deugden waarop onze stad aanspraak mag maken.

Foto 1. Archief Eemland, foto nr. 01251. Achterzijde van de St. Jorisstraat, circa 1930. Op dit soort achtererven was ruimte in overvloed om vee te houden.

Het grootste probleem was de enorme berg menselijke en dierlijke mest die de stadsbewoners produceerden. Onderzoeken uit die tijd gingen uit van ongeveer 1300 gram ontlasting per mens per dag; voor Amersfoort anno 1860 betekende dat per dag circa 17.000 kg en per jaar ruim 6 miljoen kg. En daarmee was de dierlijke mest nog niet meegeteld.… Een gedeelte van deze berg belandde op de tuintjes in de stad of bij boeren in de omgeving, maar soms werden de privaten en beerputten niet vaak genoeg geleegd en kieperden de bewoners alles in de grachten.

Dit grachtwater diende echter – voor een select groepje bewoners – als drinkwater en ‘het toebereiden der spijzen’. Vooral in de omgeving van het Kleine Spui gooiden sommige bewoners regelmatig een emmertje uit. Hier lag het Mierennest, een gang van verscheidene meters met enkele woningen, waarvan de bewoners wel over een grote mestvaalt beschikten, maar niet over een pomp. Tijdens een drinkwateronderzoek in 1867 werd de kwaliteit van dit drinkwater onderzocht. Het grachtwater werd omschreven als: “bruin-geel, troebel met een bruin-zwart bezinksel, weinig veenachtig van smaak. Het bezinksel bestaat uit een bruine moleculaire massa met talrijke algendraden en diatomeeën” (=eencelligen). Over het algemeen werd echter de drinkwatervoorziening in de stad als heel redelijk beoordeeld. De meeste mensen dronken water uit pompen dat “meest zuiver van smaak” was. “Voor hen die geen (particuliere, AS) pompen bezitten, is een voldoend aantal openbare pompen aanwezig.” In de St. Andriesstraat – zwaar getroffen door de cholera in 1866 – was het pompwater “sterk geel, helder, ziltig van smaak.” De onderzoekers vernamen: “het water wordt gaarne gebruikt.”  Dat gold ook voor de pomp in de Grote Haag: “Het water wordt gaarne gedronken, alhoewel men beweert dat de smaak in de laatste 7 jaren veel verminderd is, hetgeen wordt toegeschreven aan het leggen der gasbuizen.” De loden buizen gaven niet alleen een slechte smaak aan het water, maar zorgden natuurlijk ook voor loodvergiftiging. Maar dat bleek pas op langere termijn….

Op verschillende plaatsen in de stad was het dus een enorme smeerboel, die dan ook regelmatig resulteerde in ziekten, zoals cholera en tyfus [hier link naar artikel ‘choleraepidemie van 1866’].


Foto 2. Archief Eemland, foto nr. 11804. Het Spui, circa 1880 (fotograaf: J.W. Wentzel). Op de foto ziet het er idyllisch uit, maar links en rechts lagen beruchte sloppen, zoals het Mierennest en Markenhoef.

Wat kon men hiertegen doen? Het stadsbestuur had lange tijd de smerigheid en de epidemieën geaccepteerd als een – al naar gelang de politieke opvattingen – door de natuurwetten of door God gegeven verschijnsel. De vroede vaders haalden machteloos de schouders op en hoopten dat het allemaal snel over zou gaan. Na de choleraepidemie van 1866 ging het roer echter om. Op aandringen van allerlei deskundigen – vooral de plaatselijke dokters – schoot het stadsbestuur in actie. De oplossingen lagen natuurlijk niet voor het grijpen, maar in de loop der jaren werden belangrijke stappen gezet. In 1884 werd de gemeentelijke vuilophaaldienst opgericht, die onmiddellijk het zogenaamde ‘tonnenstelsel’ invoerde, waarmee het mestprobleem werd aangepakt. Het ophalen van de mest werd niet meer aan de vrije markt overgelaten, maar de bewoners moesten in het vervolg hun ontlasting in een tonnetje verzamelen dat een of twee keer per week in opdracht van de gemeente werd opgehaald. Bovendien werd ook het houden van vee binnen de stad aan banden gelegd. Bewoners die voor hun eigen gerief een varken of een paar kippen hielden, werden gemaand de boel beter te verzorgen of hun veestapel op te ruimen. De Gezondheidscommissie adviseerde de gemeente dienaangaande: “Op aanvragen van bewoners der nieuwe buitenwijken, of van derzulken, voor wie het houden van varkens geen levensquaestie bleek te zijn, werd beslist ongunstig geadviseerd.” Het leidde tot de nodige strubbelingen met onwillige burgers: hun varken was immers een belangrijke voedselbron, die men niet zonder slag of stoot opgaf.

De gemeente zette echter door en het resultaat was voor iedereen al snel duidelijk. De hygiëne in de stad verbeterde zienderogen. De overstromende beerputten en stinkende privaten zorgden voor minder overlast. De bewoners hoefden niet langer door de mest te waden, voor zij hun woning binnen konden. De stad werd schoner.

Het eendrachtig optreden van een ‘voorhoede’ van bezorgde deskundigen, die een gewillig oor vonden bij de gemeentebestuurders, leidde tot resultaten. De smeerboel werd niet meer geaccepteerd. Het besef drong door dat in sommige gevallen het privébelang schade toebracht aan het publieke belang. En de gemeente begon in te zien dat zij een leidende rol had te vervullen in het corrigeren van deze misstanden.

bijsluiter

Addy Schuurman is historicus, gespecialiseerd in de geschiedenis van Amersfoort in de negentiende en twintigste eeuw

bronnen

- Auke van der Woud, Koninkrijk vol sloppen. Achterbuurten en vuil in de negentiende eeuw (Amsterdam 2010) - Ingrid Jacobs (red), Bruit van d’Eem. Geschiedenis van Amersfoort (Utrecht 2009) - Verslag van den toestand van de gemeente Amersfoort 1866-1867 en 1906 - Rapport aan den Koning, van de Commissie, benoemd bij Zijner Majesteits besluit van den 16den Julij 1866, no. 68, tot Onderzoek van Drinkwater in verband met de verspreiding van cholera en tot aanwijzing der middelen te voorziening in zuiver drinkwater (’s-Gravenhage 1868)

opmerkingen

  • nog geen opmerkingen