In 15 jaar afvalvrij zijn, dat moet lukken toch?
Een beweeglijke, vrolijke man stapt het podium op. Jan Jongert is mede oprichter van Superuse in Rotterdam. Ooit heette zijn architectenbureau ‘2012 architecten’. In 1997 werd het opgericht met het idee dat er 15 jaar nodig zou zijn voor een transitie naar een wereld waarin het normaal is om geen nieuwe materialen te gebruiken in de architectuur, maar bijna volledig over te gaan op hergebruik. De circulaire transitie zou in 2012 toch wel voltooid zijn?
Nog niet helemaal... In 2012 bedacht Jan een nieuwe naam, Superuse Studios. Met dat bureau werkt hij nog steeds hard aan een duurzamere wereld.
De Blauwe Economie
Jan presenteert een aantal projecten waarin hergebruik een grote rol speelt. Allereerst het hoofdkwartier van Superuse in Rotterdam, dat is gevestigd in het voormalige Tropicana zwembad, aan de Nieuwe Maas. Dat is nu omgebouwd tot Blue City, een bedrijfsverzamelgebouw voor initiatieven die zich bezig houden met de Blauwe Economie.
De Blauwe Economie is een variant op de circulaire economie, maar voor de meeste toepassingen veel praktischer. Bij circulaire economie gaat het erom dat alles een gesloten keten is. Een bedrijf maakt een product en als dat product aan het einde van het leven is, gebruikt hetzelfde bedrijf dat product opnieuw.
In de Blauwe Economie wordt bij het maken van een product gekeken waar restmaterialen beschikbaar zijn die in dat product hergebruikt kunnen worden. Bijvoorbeeld Oesterzwammen kweken op koffiedik, of dus gebouwen maken met materialen uit gesloopte gebouwen.
Jan vergelijkt dit met het blad van een boom dat in de herfst op de grond valt. We eisen niet van de natuur dat er van de moleculen in dat blad weer en nieuw blad gemaakt wordt. Een regenworm is ook goed.
Hergebruik is niet alleen belangrijk om enorme afvalbergen en schaartse aan hulpbronnen te voorkomen, maar vooral om CO2 te besparen.
Je gebouw aanpassen aan het materiaal
Als architect moet je heel anders naar het ontwerpproces kijken. Je gaat eerst kijken wat je zou willen, je hebt dus wel degelijk een visie, maar je laat je ontwerp beïnvloeden door de beschikbare herbruikbare materialen.
Een voorbeeld is het interieur van Blue City. In een grote binnenruimte zijn kantoren gebouwd met als wanden de ramen uit een inmiddels gesloopt pand. Die ramen pasten niet in de breedte, waardoor een lange, rechte wand geen optie was. Door de ramen in een soort zigzaglijn te zetten paste het wel.
Soms geeft dat toeval je nog een cadeautje: doordat die ramen allemaal onder een hoek staan werd de akoestiek beter, wat in een voormalig zwembad best een voordeel is. Door de reflectie van het buitenlicht op de ramen kijk je ook minder makkelijk naar binnen, wat een beetje privacy geeft.

Het interieur van Blue City. Foto: Superuse Studios
De eerste villa
Het eerste gebouw dat werd gebouwd met de Superuse methode was een villa in Enschede. De eigenaars gaven een vrijbrief voor het bouwen van een groot huis met hergebruikt materiaal. Zelfs een heel luxe huis kun je maken met 60% hergebruikt materiaal.
Je moet wel een beetje op blijven passen. Het eerste ontwerp was gebaseerd op een partij oude spoorbielzen. Die bleken met een nogal giftig goedje te zijn geïmpregneerd, dus het plan werd aangepast. Wat onderzoek in de omgeving leidde naar een bedrijf in de omgeving dat kabelhaspels maakte. Dat zijn grote houten spoelen waar enorme kabels op gerold zitten. Na gebruik worden die vaak verbrand. Het was goed hout en het kon prima dienen als gevelbekleding voor de Enschedese villa. Het hout moest nog wel verduurzaamd worden en dat gebeurde door het te laten stomen in Arnhem. Dat kostte nogal wat transportkilometers en dat heeft de CO2 besparing wat minder gemaakt dat gewild.
Enschede ligt in het hart van de Twentse textielindustrie, die grotendeels in opgedoekt. Een bedrijf in de buurt verkocht hele stellages die onderdeel waren geweest van een systeem waar enorme spoelen garens op hadden gehangen. Die stellages bleken goede H-balken te zijn om de constructie van de villa mee te bouwen. Gebruikte H-balken in plaats van nieuwe levert een CO2 besparing van 90% op.

Villa Welpeloo in Enschede. Foto: Superuse Studios
Soms zit het tegen
Ook voor Amersfoort werd een gebouw ontworpen. Het zou gebouwd worden op een stuk grond op het Ligtenbergterrein en gebruik maken van de materialen die vrij zouden komen bij de sloop van de Ligtenberg. Een directer hergebruik van materialen kun je je niet voorstellen. Geen transportkilometers, hoe mooi wil je het hebben.
In tegenstelling tot de villa in Enschede, die de opdrachtgever uit eigen middelen kon betalen, moest voor de Ligtenberg een hypotheek worden verstrekt. Wat bleek: geen enkele hypotheekverstrekker wilde een huis van 2e hands materialen financieren. Zelf een relatief duurzame bank als Triodos wilde er niet in stappen. Een hypotheek krijgen voor een gebouw met hergebruikte materialen is nog steeds bijna onmogelijk. Er is geen formule voor hoe je de waarde van tweedehands materialen bepaalt.
Niet alleen bouwmaterialen worden hergebruikt
Omdat het vaak lastig is om de sloop van het ene pand en de bouw van het volgende goed op elkaar aan te laten sluiten, en opslag van bouwmaterialen veel ruimte vraagt, is het handig om bronnen van materialen te hebben die constant zijn.
Jan gebruikt bijvoorbeeld veel plaatmateriaal uit de industrie. Daar worden onderdelen uit gestanst en er blijft een restvorm over, eigenlijk een plaat met gaten in interessante vormen. Die stroom aan materialen is betrouwbaar en Jan betaalt drie keer de oud ijzer prijs. Hij gebruikt de platen as gevelbekleding. Planten groeien er prima op en ook kaal ziet het er goed uit. Je kunt er ook vrij makkelijk een houten gevel aan ophangen.
Nog een enorme bron: Windturbinebladen. Ongeveer 10.000 worden er per jaar naar beneden gehaald en afgeschreven. Recyclen kan niet omdat het een samengesteld materiaal en er zijn goede processen voor bestaan. Als ze niet worden hergebruikt moeten ze in speciale ovens worden verbrand.
Jan startte een bedrijf dat zich helemaal richt op het hergebruiken van de bladen van windturbines. Blade Made. Ze maken vanalles. Speeltoestellen waar je in kunt, straatmeubilair, geluidswallen… Er is gemeten aan de geluidsdemping van die geluidswal, en die bleek beter te zijn dan een betonnen wal. De vreemde vorm van de wieken reflecteerde het geluid in alle richtingen, waardoor het diffuus werd.
De behuizing van de motor van zo’n windturbine wordt ook afgeschreven. Die is groot genoeg voor een klein huis. Blade Made bouwde een tiny house dat zelf energie en water opving, maar omdat het huisje van een nieuwe staalconstructie moest worden voorzien was de CO2-winst minimaal. Maar nog steeds scheelt het afval, en dat is ook wat waard.

Speeltuin van windturbinebladen. Foto: Superuse Studios
Oogstkaart van materialen
Als Superuse een nieuw project begint, maken ze eerst een inventarisatie van mogelijk beschikbare materialen in de ruime omgeving. Er wordt in kaart gebracht welke industrie er in de buurt is, wat die voor afval hebben, en welke gebouwen binnenkort gesloopt worden. Letterlijk in kaart gebracht, want ze zetten alles op een online kaart. Dat is de oogstkaart van het gebied. Dat systeem was wat arbeidsintensief om bij te houden, daarom verkochten ze het aan een sloopbedrijf dat het voortaan bij zou houden. Dat is nooit gebeurd dus nu wil Jan kijken of hij het terug kan krijgen. Met de nieuwe digitale techniek zou het bijhouden ervan een stuk makkelijker moeten zijn.
Waarom gebeurt er niet veel meer met hergebruik?
Heel eenvoudig: het economische systeem weerhoudt ons ervan om te bouwen op een manier die beter zou zijn voor de wereld. We zagen al even dat hypotheekverstrekkers en zelfs banken die zich als duurzaam presenteren er heel conservatief en terughoudend in staan.
Ook is bouwen met hergebruikte materialen arbeidsintensief. Het materiaal moet schoongemaakt worden, de spijkers eruit, de oude verf eraf. Dan moet er nog een kwaliteitstest plaatsvinden. Hoe sterk is een H-balk van 100 jaar oud? Het staal van toen had een ander koolstofgehalte dan het staal van nu, dat maakt uit. Inmiddels beginnen er standaarden te komen voor het berekenen van de sterkte van constructies van hergebruikt staal. Dat is een stapje in de goede richting.
De economische prijs versus de maatschappelijke prijs
Doordat er meer arbeid nodig is voor hergebruik dan voor gebruik van nieuwe materialen is duurzaam bouwen relatief duur. Daar komt nog bij dat de uitstoot van CO2 relatief goedkoop is. Dan kun je dus nooit de extra arbeid voor CO2 besparing terugverdienen.
Daarnaast is de inrichting van ons belastingsysteem een probleem. Er is weinig belasting op materialen en een hoge belasting op arbeid. Dat maakt CO2 besparen extra duur.
Er zijn wel initiatieven die dat willen veranderen. D66 is bijvoorbeeld voor zo’n belastingverschuiving, maar in het nieuwe regeerakkoord doen ze precies het tegenovergestelde: de belasting op arbeid gaat omhoog. Op Europees niveau zijn er wel mensen mee bezig.
Uit onderzoek van Jan blijkt dat je maar 20% verschuiving van belastingen nodig hebt, dus van arbeid naar materialen, om circulair bouwen financieel aantrekkelijk te maken.
Voorlopig is wat goed is voor de wereld nog niet hetzelfde als wat goed is voor de economie op korte termijn. Op de langere termijn is dat natuurlijk anders, maar daar word je niet vandaag nog rijk van.
Voorlopig is duurzaam bouwen dus nog afhankelijk van idealistische opdrachtgevers met eigen geld.
Duurzame projecten lopen stuk in de hokjes van de bureaucratie
Jan geeft ons nog wat voorbeelden van hoe duurzame projecten worstelen met de bestaande systemen. Het afvalstation op de Afrikaandermarkt in Rotterdam, waar 12 mensen de wijk vrij van afval houden. Dat kregen ze voor elkaar door een right to challenge te winnen bij de gemeente. De wijk is nu schoner, het is voor de gemeente goedkoper, er is een belangrijke sociale plek in de wijk ontstaan en er hebben 12 mensen een baan. Bovendien is het nog steeds goedkoper dan toen de gemeente het zelf deed. Toch loopt nu het project stuk omdat de gemeente zegt: het gaat om marktafval, marktkooplui zijn commercieel en de gemeente heeft geen taak om commercieel afval op te ruimen, daarmee vervalt de right to challenge. Vervolgens zou de gemeente het dan alsnog moeten opruimen zodra het van de markt de wijk in gewaaid is, en dat zou veel meer geld kosten. Deze complexiteit past niet in de spreadsheet van de boekhouder, dus zowel de maatschappelijke als de financiële winst bestaan niet.
In de omgevingswet wordt wel gevraagd om integraal te kijken naar bouwprojecten maar bij gemeentes komt het project weer in verschillende hokjes terecht.
Wat kan een lokale overheid doen om bouwen met hergebruikte materialen te bevorderen?
Dit vastlopen in het systeem is iets waar een lokale overheid iets aan kan doen. Jan geeft als voorbeeld een zogenaamde doorbraakambtenaar. Dat is iemand die onconventionele maar maatschappelijk belangrijke projecten door de hokjes van de bureaucratie loodst.
Ook kan een gemeente een materiaalmakelaar aanstellen. Iemand die weet wat er gesloopt wordt, wat er verderop nodig is en die eventueel zorgt dat er een tussentijdse opslag van materialen plaatsvindt. Diegene zorgt dat een gesloopt gebouw optimaal hergebruikt wordt.
Voor een grote stad zou dat gaan om 4 ambtenaren voor 10 jaar.
Daarnaast kan een gemeente natuurlijk bij de eigen projecten, als er bijvoorbeeld een nieuw stadhuis moet komen, in de beoordeling van een ontwerp zowel naar energie als naar materialen kijken. Er moet eigenlijk een CO2 boekhouding komen naast economische boekhouding. Omdat een gemeente het belang van de inwoners moet behartigen, ook op de langere termijn, is dat een legitieme keuze.
Wat gebeurt er al?
In Amersfoort wordt ongeveer 8% van de materialen uit gesloopte gebouwen hergebruikt, waarvan minder dan 1% als bouwmateriaal. Dat is niet veel.
De gemeente is bezig met een leidraad voor circulair slopen, een document met 11 tips voor slopers.
Daarnaast is er een plan voor een grondstoffencorridor. Wat dat precies wordt is nog niet helemaal duidelijk, maar wat er wel in terug komt is een ketenregisseur, wat misschien zoiets is als die doorbraakambtenaar die Jan Jongert aanraadt.
Het lijkt er dus op dat Amersfoort al wel stappen in de juiste richting zet.