Joke Sickmann. Een mensenmens die gezegend lijkt te zijn met een eeuwig, dynamisch leven. De Amsterdamse zou vanaf de laatste decennia van de vorige eeuw uitgroeien tot hét boegbeeld van de strijd om het behoud van het industrieel erfgoed in Amersfoort. Zij bezat namelijk het antigif waarmee menig voortbrengsel van de mens ten behoeve van de dagelijkse arbeid, zoals de Wagenwerkplaats, ontkwam aan de meedogenloze slopersbal.
„Ik ben dol op geschiedenis en monumentale gebouwen”, vertelt Sickmann. „Ik heb altijd oog gehad voor architectuur. Gebouwen zijn een uitdrukking van de geest van de tijd. Als jonge inwoner in Amsterdam kwam ik wat dat betreft niets tekort. Zo heeft het gebouw aan de Postjesweg, dat in mijn jeugdtijd net in de stijl van de Amsterdamse School was opgetrokken en onderdak bood aan de Ambachtschool, mij bijzonder aangetrokken. Het is een spannend gebouw dat voor mij altijd onbereikbaar is geweest. Opmerkelijk zijn de in tufsteen gebeeldhouwde man en vrouw aan weerszijden van de hoofdingang. Zij symboliseren de industrialisering respectievelijk de natuur. Beide sculpturen bevatten een deel van het devies van de toenmalige socialistische wethouder Pieter Lodewijk Tak: ‘Zonder moeite niets’.”

Joke in de kleurstoffenfabriek. Foto: Judith Oomen
Liefde voor historie en architectuur
Deze tegeltjeswijsheid past moeiteloos bij Sickmann die in die tijd op de lagere school de liefde voor historie kreeg aangereikt van juf Lucassen. „Ook de architect die met mijn tante was getrouwd, wakkerde mijn interesse voor architectuur aan”, vervolgt ze. „Dit was de Hilversummer Nico Andriessen. In de oorlog kwam ik daar vaak over de vloer. Hij was vertegenwoordiger van de Amsterdamse School. Zijn werk omvat arbeiderswoningen, scholen, villa’s, twee kerken, gemeenschapsgebouwen en enkele winkelpanden.”
In de jaren vijftig had Sickmann eerst een administratieve job bij de hoofdstedelijke scheepswerf NDSM en vervolgens een secretariële betrekking bij de KLM. Daarna volgde ze de dagopleiding sociaal cultureel werk op de RK Sociale Academie De Aemstelhorn. De opleiding was doordrenkt met de eigentijdse opvattingen over gemeenschapsvorming, die destijds in de naoorlogse Verenigde Staten in opkomst was: community organization. Sickmann: „De school stond op een steenworp afstand van het Rijksmuseum. Elke dag keek ik vanuit het schoolraam naar de schoonheid van dat immense gebouw. Die fascinatie voor historische gebouwen en hun omgeving heeft later een rol gespeeld toen ik me verdiepte in de regionale geschiedenis van Nieuwer-Amstel, de gemeente die later werd omgedoopt in Amstelveen. Er vormde zich zelfs een groepje gelijkgestemden dat uitgebreid onderzoek deed naar de geschiedenis van dit deel buiten de stad. In dit soort groepen had ik toen al de neiging om altijd een beetje haantje de voorste te spelen.”
Naar Amersfoort
Al met al sloot ze haar carrière in het sociaal cultureel werk via een vut-regeling af als buurthuiswerker in Laren. Na een korte omzwerving nam Sickmann begin jaren negentig haar intrek in een hoekwoning in het Amersfoortse Soesterkwartier. „De verhuizing naar Amersfoort was puur toeval”, legt Sickmann uit. „Mijn dochter Andrea zocht woonruimte en stelde mij voor om elders te gaan wonen in een huis dat groot genoeg was om twee gezinnen onder te brengen.”
Eenmaal gesetteld wilde Sickmann na een paar colleges cultuurwetenschap aan de Open Universiteit nu ook in de geschiedenis van Amersfoort duiken. „De cursus ‘Amersfoort rond 1900’ onder leiding van bijzonder hoogleraar Utrechtstudies aan de Universiteit Utrecht professor Piet ’t Hart bleek voor mij het ultieme vliegwiel te zijn. Mijn eerste verdiepingsslag was een onderzoek naar de geschiedenis van het ’t Sasje waar de slopersbal en de politiek weer eens machtiger waren dan het mensenhart.” Een deel van de fundamenten van deze eerste woonwijk buiten het historische centrum, gebouwd voor de fabrieksarbeiders, ligt verstopt onder een laag asfalt van de parkeerplaats van de Nieuwe Stad. Van ‘t Sasje naar de Wagenwerkplaats was dus ook in historisch opzicht niet eens zo’n grote stap. Zeker niet voor Sickmann, zou niet veel later blijken.

Foto: Rob Lampe/Amersfoort Gezien
Naast haar belangstelling voor ’t Sasje schonk Sickmann aandacht aan haar woonomgeving en haar geschiedenis. De eerste aanzet vormde een brief die ze in 1993 schreef naar de Welzijnsstichting van het Soesterkwartier. Daarin schreef ze het volgende:
L.S.
Gisteravond was ik op de wijkbijeenkomst van het Soesterkwartier. Ik hoorde daar over de ideeën om een groep samen te stellen waarin diverse mensen proberen te komen tot een actief ‘zelfbeheer’ van de wijk. Zo’n werkvorm lijkt me nuttig, belangrijk, maar ook ontzettend moeilijk. Ik heb wel interesse maar ook enkele bedenkingen, vandaar dat ik me niet onmiddellijk persoonlijk heb opgegeven.
Hieronder volgen die overwegingen, voorafgegaan van een persoonlijk profieltje, zodat u weet wat voor vlees u in de kuip heeft.
„Ik werd uitgenodigd om mee te doen aan de voorbereiding van een fototentoonstelling die achteraf de basis legde voor de oprichting van het Wijkmuseum Soesterkwartier,” vervolgt Sickmann. „Maar dat terzijde. De foto-expositie werd in mei 2001 in het parochiehuis in de Matthias Withoosstraat gehouden. Ik kon gelijk van de gelegenheid gebruikmaken om een werkgroep ‘geschiedenis Soesterkwartier’ in het leven te roepen. Als je over de toekomst denkt is het ook goed om eens naar het verleden te kijken, nietwaar?
Het HaKa-gebouw
Ik ben dus vaak deelnemer geweest van vergaderingen die in de Wijkwinkel aan de Noordewierweg 167 werden gehouden. Daar gebeurde iets opmerkelijks. Mijn oog werd telkens getrokken naar de panden aan de overkant van de straat. Ik heb het over het gebouw dat ooit werd betrokken door de plaatselijke nederzetting van de Handelskamer, kortweg het HaKa-gebouw.” Deze in 1914 opgerichte landelijke coöperatie was bedoeld om de arbeiders levensmiddelen en brood – er was ook een aparte bakkerij bij gebouwd – van goede kwaliteit voor een redelijke prijs te leveren. „Na de oorlog werd het onderdeel van zelfbedieningszaak, de Coöp. Het gebouw was van betekenis door de grote cultuurhistorische waarde als symbool van de in de jaren twintig en dertig zo kenmerkende arbeidersemancipatie in Amersfoort.”
De panden zijn architectuurhistorisch niet alleen van waarde als goede representant binnen het oeuvre van de voor Amersfoort belangwekkende architect Gerrit Adriaans, maar ook, door de zorgvuldige detaillering, als goed voorbeeld van de Amsterdamse School. Het moet Sickmann destijds goed hebben gedaan om de bouwstijl die ze in haar geboortestad bewonderde, ook in Amersfoort aan te treffen. Ze wilde dan ook bewerkstelligen dat het gebouw een beschermde status zou krijgen. „Voor het nodige draagvlak heb ik gezorgd door één op eén min of meer bekende Soesterkwartierders op te zoeken. Ik heb aan hen gevraagd om een handtekening bij de aanvraag te plaatsen.” De aanvraag die zij 29 mei 2002 bij de gemeente indiende om het HaKa-gebouw op de monumentenlijst te plaatsen, werd in datzelfde jaar gehonoreerd. Na het vertrek van de supermarkt werd het kersverse monument in gebruik genomen door een huisartsenpraktijk.
Tijdens de feestelijke opening benadrukt Sickmann in haar speech haar fascinatie voor het oude gebouwen met een ziel en geschiedenis. Bovendien moet het post scriptum op ieders lachspieren hebben gewerkt.
‘Ik ben benieuwd wat oud-wethouder Noordewier en architect Adriaans er van zouden vinden. De dochters van Gerrit zijn hier ook. Ik zal ze het straks vragen. Zou Gerrit zeggen: wat hebben jullie er nou van gebakken? Die mooie zuilen hier midden in de ruimte, die prachtige draagconstructie wat hebben jullie daar mee gedaan? Alles is weg! Nou ja, alleen de buitenkant dat lijkt er nog wat op. De vlakverdeling. De uitstraling van een sterk en krachtig gebouw. In een arbeidersbuurt. Voor mensen die trots zijn dat ze hier wonen. Ik heb toch zo’n klein vermoeden dat Gerrit Adriaans er wel vrede mee zou hebben. Fantastisch, alle huisartsen kunnen hier samenwerken in één gebouw. En de apotheek ernaast! Daar is het toch om te doen. Licht, en ruimte en praktisch. Bedankt dames en heren artsen dat jullie de uitdaging hebben aangenomen en samen hier verder gaan voor het welzijn van onze buurt.’
P.S.
Overigens heb ik geen rol gespeeld bij het proces dat ertoe geleid heeft dat de Huisartsen Soesterkwartier zich hier heeft gevestigd.
Kenmerkend is ook haar antwoord op de vraag van een journalist die haar destijds vroeg of in het Soesterkwartier nog meer plekken zijn die een opknapbeurt kunnen gebruiken en waarvoor zij zich sterk zou gaan maken? ‘Het eerste wat onder handen kan worden genomen is de Theo Thijssenschool op de hoek van de Noordewierweg en de Plataanstraat’, antwoordde ze. ‘Kijk alleen maar naar het uurwerk. Dat staat al jaren stil. Het is om je dood te schamen. Zo mag je niet omgaan met een monument. Maar ik heb nog meer pijlen op mijn boog. Daar kom ik graag nog eens op terug.’

Eerste stapjes op de Wagenwerkplaats
Voordat de nieuwe gebruikers het HaKa-gebouw betrokken, gonsde het bericht door het Soesterkwartier dat bewoners van de Soesterweg bezwaar hadden aangetekend tegen de sloop van de portierswoning (1903) van de Wagenwerkplaats. Dit gebouw stond pal tegenover de noordingang van het stationsgebouw waar het Mondriaanplein was ingetekend. Het is mei 2003. Bij die gelegenheid hadden de betrokken bewoners tevens een verzoek bij de gemeente ingediend om het gebouw op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen. Uiteraard behoorde Sickmann tot deze bewonersgroep. Zij had immers ervaring opgedaan met het HaKa-gebouw. Op haar advies vroegen de bewoners de sloop van de portierwoning uit te stellen om eerst te kunnen laten onderzoeken of het misschien zinvol is om deze te behouden. Wellicht zou het later in worden gepast in een nieuwe, voor Amersfoort interessante ontwikkeling. Regeren is immers vooruitzien.
Sickmann: „Op zeker moment plaatste ik op een zonnige ochtend mijn eerste voetstappen op het emplacement van de Wagenwerkplaats. Ik wist toen nog niet welke rol ik voor deze locatie zou gaan spelen. Feit is wel dat ik werd overvallen door de schoonheid van de gebouwen. Behalve dan de portierswoning. Die was immers in no-time van de aardbodem verdwenen. Een verloren zaak, ondanks alle inspanningen. Maar ik kwam wel tot de slotsom dat de betrokken Soesterkwartierders eerder vanuit hun emoties dit gebouwtje wilden behouden dan vanuit kennis. Daar kwam nog wat bij. Het momentum was al verstreken toen ze opkwamen voor hun belang. Toen ik mij omdraaide en naar het terrein keek van de Wagenwerkplaats, heb ik vaak gedacht aan Emscherpark nabij Duisburg waar ik toevallig in die tijd een dag lang mijn ogen had uitgekeken. De IBA-Emscher Park is herontwikkeld om de oude industrieregio Ruhrgebied een ecologische, economische, sociale en culturele impuls te geven. In een paar jaar tijd was het omgevormd tot een grote en samenhangende landschapszone. Interessant was dat een groot deel van de oorspronkelijke industriële bebouwing als industriële monumenten, woningbouw en bedrijfsgebouwen is benut. Dit voorbeeld kwam in mij op toen ik keek naar de inmiddels lege werkplaatsen en loodsen op de Wagenwerkplaats. Monumentale parels.
“Er was zeker potentie om in het gebied tussen de Soesterweg en het spoor een zogenoemd erfgoedpark te creëren. Een eigentijdse leef- en speelruimte voor alle bewoners van de stad, waarbij de sporen, gebouwen en andere elementen ongeschonden zouden blijven. Ik was vastbesloten om de Wagenwerkplaats te behouden door het proces over een andere boeg te gooien. Ik nam het besluit om zelf in een vroegtijdig stadium invloed te gaan uitoefenen op de ontwikkeling van dit gebied.”
Samen met een aantal andere bewoners werkte Sickmann aan een voorstel om de gebouwen op de Wagenwerkplaats zo veel mogelijk te behouden. Sickmann daarover: „Het is ons industrieel erfgoed en ik was ervan overtuigd dat het mogelijk is. Destijds speelde in Antwerpen een vergelijkbaar probleem. In 2000 verliet de Belgische spoorwegmaatschappij NMBS het 24 hectare grote rangeerterrein in het noorden van de stad. Het was compleet verwaarloosd.” Belangrijk voor de ontwikkeling was de uit 2001 stammende overeenkomst tussen een aantal partijen, waaronder de gemeente en de vastgoedtak van de Belgische spoorwegen. De gemeente zou 18 hectare van het gebied inrichten als park, terwijl de commerciële partijen de rechten kregen voor de ontwikkeling van een terrein van 6 hectare aan de randen van dit gebied. Iris consulting, een dochteronderneming van het in Amersfoort gevestigde ingenieursbureau DHV, tekende het winnende ontwerp. De Duitse en Belgische projecten wakkerden de strijdlust aan van Sickmann die in Amersfoort een dergelijk plan van grond wilde tillen.
Zij had het tij mee. De waardering voor monumentale gebouwen in ons land is vanaf de jaren zestig maar heel voorzichtig op gang gekomen. Door saneringen in de industrie kwamen er steeds meer gebouwen op de markt, waarbij langzaam het besef groeide dat deze een belangrijke monumentale waarde vertegenwoordigen. Het fenomeen herbestemming van industrieel erfgoed is geboren. Bovendien was enkele jaren daarvoor de Utrechtse Stichting Industrieel Erfgoed, kortweg Usine, in het leven geroepen met als doel het bevorderen van kennis over en belangstelling voor industrieel erfgoed in de stad en de provincie Utrecht. De stichting signaleert bedreigd industrieel erfgoed en ondersteunt behoudsplannen en bleek bereid om de nodige expertise met Amersfoort te delen. Gezien de nieuwe inzichten over het belang van industrieel erfgoed was het in 2003 de moeite waard om te onderzoeken of de gebouwen van de Wagenwerkplaats behouden konden worden voor het nageslacht.
‘De schone slaapster’
Sickmann woonde uit pure interesse een aantal bijeenkomsten van Usine bij. Sickmann: „Ik ging daar in de leer in de overtuiging dat ik een verbinding zou vormen tussen Amersfoort en de provinciale stichting.”
Onder de naam ‘De Schone Slaapster’, een initiatief van Sickmann, werkte een aantal betrokkenen aan een plan. Het ging hierbij voorlopig alleen om de vraag of diverse partijen te interesseren waren voor het idee om alternatieve plannen uit te werken voor het gebied van de Wagenwerkplaats Amersfoort.
Sickmann pakte haar pen op en vertrouwde het volgende aan het papier toe:
„Mensen die zich betrokken voelen bij de toekomst van Amersfoort en het Soesterkwartier kunnen gaan zitten wachten totdat over een aantal jaren gemeente, projectontwikkelaars en partijen van NS komen met een plan voor de ontwikkeling van het gebied. Als dat plan niet strookt met de belangen en de wensen van het Soesterkwartier is het te laat om er nog iets aan te doen. Niemand zal zich er over verwonderen dat er dan nog maar weinig mogelijkheden zijn om invloed uit te oefenen. Hoewel, de bewoners van het Soesterkwartier kennen diverse voorbeelden waarbij het inwoners van Amersfoort wel is gelukt om plannen te stoppen. Maar wat een energie heeft het niet gekost om dat voor elkaar te krijgen! Misschien is het daarom beter om het eens over een andere boeg te gooien door zelf in een vroegtijdig stadium invloed uit te oefenen op ontwikkelingen die in de toekomst kunnen plaatsvinden”.
Bij het bedenken van een toekomstig plan voor de invulling van de Wagenwerkplaats, kreeg De Schone Slaapster behalve van Usine nog een sterk steuntje in de rug: Belvedere. Dit was een initiatief van een viertal ministeries dat net tegen het nieuwe millennium haar beslag kreeg. Het was een visie om met de cultuurhistorische kwaliteiten van het fysieke leefmilieu in de toekomstige ruimtelijke inrichting van Nederland om te gaan. Cultuurhistorie werd beschouwd als van vitale betekenis voor de samenleving en de individuele burger. Het behoud en het benutten van het cultureel erfgoed voegde volgens het initiatief kwaliteit toe aan de ruimtelijke inrichting.

Foto: Rob Lampe/Amersfoort Gezien
SIESTA
„Voor het behoud van de portierwoning, die in 2003 tegen de vlakte ging, was het te laat”, verzuchtte Sickmann die in dat jaar voor het behoud van onder meer de Wagenwerkplaats de Stichting Industrieel Erfgoed in de Stad Amersfoort (Siesta) had opgericht, een club die zich nog steeds inspant om het industriële erfgoed te documenteren en initiatieven onderneemt die leiden tot het behoud ervan. „Het bleef niet bij het afbreken van dat interessante gebouw dat een prachtige inleiding vormde van de wagenwerkplaats. Ook enkele bedrijfspanden, waaronder de schilderwerkplaats, de bufferafdeling, enkele opslagloodsen en wat kleinere panden, zoals een weegbrug, kregen bezoek van de slopers. Met al die verwoestingen dacht ik echt dat de doodsteek van de Wagenwerkplaats nabij was. Dat gevoel werd versterkt door een schaftkeet van het sloopbedrijf dat op dit immense terrein stond geparkeerd. Ik trok mijn stoute schoenen aan en ben naar de afdeling bouwzaken van de gemeente gestapt. Een behulpzame ambtenaar gaf me de gelegenheid om alle actuele sloopvergunningen die afgegeven waren voor de Wagenwerkplaats in te zien. Ik trof een Artikel aan dat mogelijk de ultieme reddingsboei zou worden.”
‘Conform de Woningwet/bouwverordening is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om een verleende bouw- of sloopvergunning in te trekken als er niet binnen een jaar na het onherroepelijk worden van de verkregen vergunning een begin is gemaakt met het bouwen of het slopen.’
Ze klom in de pen om de toenmalige burgemeester Albertine van Vliet-Kuiper te bewegen de sloopvergunning in te trekken.
Niet veel later besefte Sickmann dat zij haar ammunitie sneller in stelling kon brengen. De Wet dualisering gemeentebestuur was toen net een jaar van kracht. Sinds de invoering ervan heeft de gemeenteraad vooral kaderstellende en controlerende taken en het college van B&W bestuurlijke en uitvoerende taken.
“Ik kreeg van Mirjam Barendregt (later nog wethouder) de gouden tip om gelijk met het verzoek om de sloopvergunning in te trekken, ook een Burgerinitiatief aan de gemeenteraad voor te leggen. Ik heb toen aan de raad gevraagd onderzoek te laten doen naar de erfgoedwaarde van de Wagenwerkplaats”. Sickmann vervolgt: „Ik wilde alles in het werk stellen om de Werkplaats als Monument aan te laten merken. Het heeft me verbaasd dat uit het onderzoek dat later door Usine is uitgevoerd bleek dat het hele complex niet eens in het Monumenten Inventarisatie Project (MIP ) van de Provincie Utrecht voorkwam.” Dit Mip-onderzoek is eerder, in de jaren 1987-1992 uitgevoerd.
Dat bleek inderdaad een omissie. Over stations is veel gepubliceerd, zelfs over seinhuizen, raccordementen, baanwachterwoningen, locomotiefloodsen en bovenleidingportalen is gerapporteerd. Maar een overzicht van de veelal onbekende werkplaatsen ontbreekt compleet. Dit komt ongetwijfeld omdat deze gebouwen zich min of meer op besloten terreinen bevinden en daardoor minder zichtbaar zijn dan bijvoorbeeld stationsgebouwen. Dit is waarschijnlijk ook de reden waarom de Wagenwerkplaats in Amersfoort niet in het MIP-bestand van de gemeente voorkwam.
Sickmann: „De meerderheid van de gemeenteraadsleden wilde een onderzoek starten om de monumentale waarde van de Wagenwerkplaats nader te bepalen.” Er werd afgesproken dat de doelstelling van het onderzoek zou worden beperkt tot de cultuurhistorische waarde van de Wagenwerkplaats en tot een bouwhistorisch onderzoek naar de constructie van de gebouwen. In een latere fase werd hieraan nog een voorlopige inschatting van de mogelijkheden tot hergebruik toegevoegd, uitgaande van de gebouwen in hun toenmalige staat.

Foto: Rob Lampe/Amersfoort Gezien
De kus van de prins op de wangen van de werkgroep De Schone Slaapster had z’n uitwerking. In 2007 is de Wagenwerkplaats op de monumentenlijst gezet. Naderhand is De Schone Slaapster opgegaan in de werkgroep Wagenwerkplaats. „Ik durf in alle bescheidenheid het volgende te stellen”, merkt Sickmann op terwijl zij haar karakteristieke houding aanneemt ten teken dat er weer een stellige bewering over haar lippen gaat rollen. Als zij haar armen over elkaar slaat, haar bovenlichaam voorzichtig naar voren buigt en haar ogen boven haar brilmontuur de wereld inkijken, neemt ze geen enkel blad voor de mond. „Als ik me nergens mee had bemoeid was de Wagenwerkplaats niet op de monumentenlijst terecht gekomen. Met alle gevolgen van dien. Elke keer wanneer ik de gelegenheid krijg om het terrein te zien, krijg ik een gelukkig gevoel.”