
Foto: Archief Omroep Amersfoort
Nico B. was in de laatste jaren de bekendste bewoner van de Rijksinrichting voor jongens ‘Op de Berg’. Nico B? Nico Bodemeijer was de zoon van een Joodse marktkoopman; een skinhead die op 21 augustus 1983, kort na middernacht, in het centrum van Amsterdam Kerwin Duinmeijer neerstak. De moord wekte in heel Nederland grote ontsteltenis. Vanwege het (veronderstelde) racistische motief van de dader. En ook omdat een Amsterdamse taxichauffeur de zwaargewonde Kerwin weigerde naar het ziekenhuis te vervoeren. “Wie wil er bloed op de achterbank van de werkelijkheid?”, zong Frank Boeijen. Zijn single ‘Zwart-Wit’ werd een enorme hit.
De toen 16-jarige Nico werd in januari 1984 veroordeeld tot een langdurig verblijf in de Rijksinrichting in Amersfoort. Volgens de rechtbank was Nico zo gestoord, dat een gewone gevangenisstraf geen zin had. De rechter bepaalde dat hij in ieder geval tot zijn 21e jaar behandeld moest worden.
Feitelijk verbleef Nico B tussen augustus 1984 en januari 1988 in de Rijksinrichting Op de Berg. Hij werd vervroegd vrijgelaten - hij was twintig - maar of hij zijn leven gebeterd had? Zijn naam dook de eerste jaren nadien regelmatig in het nieuws op; hij was betrokken bij enkele ernstige en minder ernstige geweldsincidenten, onder andere in zijn toenmalige woonplaats Purmerend. Als moordenaar van Kerwin hadden pers en publiek hun oordeel snel klaar, een stempel waar hij nooit meer vanaf kwam. Tot hij uiteindelijk in 2012 - naar verluid ongeneeslijk ziek - een einde aan zijn leven maakte.
Nico B. kan als leidraad dienen om het verhaal van de Rijksinrichting te vertellen. In sommige opzichten was zijn geval exemplarisch, in andere opzichten uitzonderlijk.
Bewoners
Zeker niet alle medebewoners hadden een dergelijke geruchtmakende moord op hun geweten, maar kruimeldieven waren het allerminst. De jongens - in de leeftijd van veertien tot 21 jaar - bestonden grofweg uit twee groepen: laten we ze criminelen en onhandelbaren noemen.
Ongeveer een derde van de jongens behoorde tot de laatste categorie, de zogenaamde OTS-ers (Onder Toezichtstelling). Zij waren door de kinderbescherming uit de ouderlijke macht gezet en hadden er een lange weg op zitten door de verschillende instellingen. De gebruikelijke behandelingswijzen om hen op het rechte pad te houden hadden op hen geen indruk gemaakt, integendeel, zij bleken in geen enkele inrichting te handhaven. Op de Berg was in die zin het eindstation van de kinderbescherming in Nederland. Zo u wilt: het afvalputje.
De meerderheid, twee derde van de jongens, zat er op basis van een veroordeling tot ‘plaatsing in een justitiële jeugdinrichting’ (PIJ) of ‘bijzondere behandeling’ (BB). Dat waren jongens die een zwaar en een gewelddadig delict hadden gepleegd: een roofoverval, inbraak met geweld, een (poging tot) moord of doodslag, een verkrachting, noem maar op. Hoe zij tot die daden waren gekomen? In het psychiatrisch rapport over Nico B. luidde het: “Hij kan gevoelens van onmacht en angst moeilijk hanteren. Er ontstaat dan bij hem de neiging zich in woord en daad stoer en agressief op te stellen. Omdat hij onvoldoende controle over zichzelf heeft, blijft hij een gevaar voor zijn omgeving. Daarom moet hij worden behandeld in een inrichting.”
Al met al een uitermate moeilijke groep jongens, die allemaal iets op hun kerfstok hadden. Vooral ook jongens met een zware rugzak, uit ‘sociaal zwakke gezinnen’ en/of uit gebroken gezinnen. Ook waren er veel adoptiekinderen. Problemen met verschillen in culturele afkomst namen in de jaren tachtig sowieso toe. De meeste jongens waren van Nederlandse afkomst, maar er kwamen ook steeds meer jongens uit gezinnen van niet-westerse oorsprong: Marokkanen, Antillianen, Surinamers, etc.
Wat zij allen ook nog gemeen hadden? Het waren allemaal jongeren die in hun jeugd geen normale rolmodellen hadden meegekregen. “Wat me vaak opviel waren de totaal onrealistische ambities van die jongens. Die hadden zich in het hoofd geprent dat ze wel advocaat wilden worden en een grote Mercedes wilden rijden.”
Aan het woord is Hans, die in de laatste jaren van de inrichting ‘vakdocent tuin’ was.
“Met veel van die jongeren, daar kon je best wat mee beginnen. Het was vaak ‘ruwe bolster, blanke pit’. Als je die wist te raken, dan ging het prima. Er waren ook sommige jongens bij die heel aardig konden leren. Maar we hebben ook echt wel psychiatrische gevallen gehad. Ik herinner me een jongen, heel aardig, heel vriendelijk, maar af en toe trad er ineens kortsluiting op in z’n hoofd en moest alles kort en klein worden geslagen.” Jongens dus met korte lontjes en een verstoorde agressiehuishouding.

Om de inrichting stond een hoge muur. Foto: Stadsarchief 1990-96, inv.nr. 614, taxatierapport Zadelhoff.
Escapades
“Kijk, de inrichting was een soort gevangenis, met hoge muren. Die jongens probeerden natuurlijk van alles om te ontsnappen. Sommigen gapten een vijl uit de werkplaats en dan was het maandenlang vijlen om de tralies van je cel door te krijgen. Een gat van dertig bij dertig centimeter, dat was voldoende, dan was de vogel gevlogen. Klassiek is natuurlijk aan elkaar geknoopte lakens, dat hebben we ook een keer meegemaakt. De jongen ging op die manier over een muur van zes meter, maar kwam toen op de luchtplaats terecht. Hij was er dus geen steek mee opgeschoten…”
“Lukte het toch om weg te komen, dan werden ze ‘op de telex gezet’. De politie moest dan werk maken van de opsporing. Probleem voor die jongens was, dat ze vaak nergens heen konden. Vrijwel altijd waren ze binnen één of twee dagen weer terug. Met natuurlijk een forse aantekening in hun dossier.”
“Achteraf gezien heb ik wel eens bewondering gehad voor die jongens en hun ontsnappingspogingen. Je kunt er van alles van vinden, maar daar bleek in ieder geval een groot gevoel voor planning, doorzettingsvermogen en geduld uit. Veel van die jongens hadden hun hele leven tot-dan-toe te horen gekregen dat ze nergens voor deugden en niks konden. Uit deze escapades bleek, dat ze wel degelijk iets konden. Ze richtten alleen hun aandacht op de verkeerde dingen.”
“Een voorbeeld? Ik mocht wel eens met jongens het terrein af, bijvoorbeeld om stro te halen bij de Welkoop in Achterveld. Als we dan terug naar de inrichting reden, zag ik in de achteruitkijkspiegel dat de jongens een tubetje solutie hadden gepikt en daar aan zaten te snuiven. Drugs en drank, dat begon ook al te komen. Jongens die bijvoorbeeld stomdronken van verlof terugkwamen.”
Tijdens rechtszaken met oud-pupillen van de inrichting kwam ook meerdere malen ter sprake dat er heroïne en hasj naar binnen werd gesmokkeld. De pogingen om verslavingsproblematiek aan te pakken op de inrichting...; het was meer dan eens dweilen met de kraan open.
“De bijzondere samenstelling van de gestichtsbevolking speelde daarbij ook een rol. Binnen de heel diverse bevolking in de inrichting (kinderen en bijna jong-volwassenen, onhandelbaar en zwaar crimineel) stonden de jongste en minst assertieve figuren helemaal onderaan de hiërarchie. Wanneer zo iemand op een gegeven moment vanwege goed gedrag in aanmerking kwam voor bijvoorbeeld weekendverlof, werd hij gedwongen om bij terugkomst drugs mee te smokkelen voor zijn medegedetineerden. Zo werd hij het criminele milieu ingetrokken.”
“Hoe de positie van Nico B in de inrichting was? Dat weet ik eerlijk gezegd niet precies. Hij zat in de gesloten afdeling en kwam daarom nooit buiten. Ik heb hem dus niet in mijn groep gehad. Maar ga er maar vanuit dat zijn positie ingewikkeld was. Enerzijds was het een ‘zware jongen’ die je niet snel tegensprak, maar aan de andere kant werd hij als moordenaar van een zwarte jongen door een deel van de pupillen - zeker de Surinamers en Antillianen - niet gepruimd.”
Dagelijkse routine
Midden jaren tachtig zaten er zo’n veertig jongens, maar dat aantal liep snel terug. Zij waren ingedeeld in groepen van zo’n zes tot acht jongens. Voor elke groep waren er in totaal zo’n tien groepsleiders (m/v) die afwisselend in duo’s of met zijn drieën met de groep bezig waren, elke dag weer, ook in de weekenden. De groepsleiders werkten in een tweeploegenrooster: de eerste van 7.00 uur tot 15.00 uur en de tweede van 14.30 (voor een goede overdracht) tot 22.30 uur. Alleen ’s nachts was er dus geen toezicht, maar hielden enkele bewakers de wacht.
“Hoe de dagen er zoal uitzagen? Het was een strak regime, elke dag hetzelfde. ’s Ochtends om een uur of half acht (zeker weten doe ik het niet meer) was het opstaan, ontbijten en daarna corvee: de ontbijtzaal opruimen en de vaat wassen. Om negen uur begon dan de dagbesteding. ’s Avonds na het eten was er ontspanning in de groepsverblijven: er waren voor elke groep aparte ruimtes met een televisie, tafelvoetbal, bankstel etc. Om tien uur was het afgelopen. Op de eerste verdieping van de inrichting waren alle cellen, kleine hokjes met een bed. De deuren gingen dan op slot en pas de volgende ochtend werden ze weer opengemaakt.”

Dagindeling in een Justitiële Jeugdinrichting anno 2025. Bron: infographic-justitiële jeugdinrichtingen 2025 (https://www.dji.nl/site/binaries/site-content/collections/documents/2023/06/21/infographic-justitiele-jeugd-2022)
De dagbesteding bestond uit ‘Vorming en Ontwikkeling’. Elke ochtend bespraken de groepsleiders en de vakdocenten kort het programma voor die dag. De onderdelen waren opgedeeld in blokken van één of twee uur. Dat verschilde per groep, afhankelijk van de spanningsboog van die groep. Er was een schooltje, met hele kleine klasjes (vier tot zes jongens), waarin de jongeren voornamelijk individueel les kregen. Verder waren er allerlei werkplaatsen voor praktijkonderwijs: een timmerwerkplaats, een schilderswerkplaats, een metaalwerkplaats, een autowerkplaats, een keuken en een tuin.
“De autowerkplaats was populair, want die beschikte over een oude Volkswagen-kever die door de jongens in elkaar werd geknutseld. Dan was het achter de inrichting op een crossbaantje scheuren met dat ding. Dat was een absoluut hoogtepunt voor die jongens, natuurlijk.”
“Ik had voordien altijd bij een tuincentrum gewerkt; het werk in de inrichting was natuurlijk wel andere koek. De groepsleiders hadden allemaal een sociaalpedagogische opleiding gehad, maar ik had als ‘vakdocent’ helemaal geen scholing in die richting. De eerste drie maanden werd ik voor het werk klaargestoomd met allerlei cursussen, onder andere in Utrecht aan de Maliebaan. En verder heel veel toekijken; zo groeide ik langzaam in mijn functie.”
“Ik werkte in de tuin. Daar had ik een kas tot mijn beschikking, waar ik met de jongens een beetje tuinierde. Verder verzorgden we een paar kippen en schapen en ook deed ik met mijn jongens het groenonderhoud op het hele complex, dus heggen knippen, grasmaaien, en dergelijke. En dan ondertussen goed in de gaten houden, dat ze er niet vandoor gingen.”
Ook werd er veel tijd ingeruimd voor sport. Achter het complex lag er een sportveld, maar er was ook een gymzaal voor binnensporten zoals badminton, turnen en judo. Dat sporten gebeurde ook weer in kleine groepjes, om te voorkomen dat ze elkaar te lijf gingen. Binnen een groep was er altijd wel een openstaande rekening die vereffend moest worden. Of een hiërarchie bevestigd.

De timmerwerkplaats. Foto: Archief Omroep Amersfoort
Elke dag werd nauwgezet bijgehouden dat er geen enkel stuk gereedschap ‘verdween’, waarmee de jongens elkaar of het personeel te lijf konden gaan. Of een ontsnappingspoging op touw konden zetten. Als er iets mistte werd er een grote zoekactie op touw gezet.
Socialiseren
“Het klinkt misschien raar, maar het doel van de dagbesteding was niet in de eerste plaats om de jongens een vak te leren. Het ging er vooral om hen bezig te houden en hen te observeren. Hoe gingen zij onderling met elkaar om en hoe gedroegen zij zich richting het personeel? Het ging er dus om ervoor te zorgen dat de jongens gecorrigeerd werden, dat zij zich zodanig gingen gedragen dat zij weer terug konden de samenleving in.”
Hier lag de primaire taak van de derde groep van personeel, want naast de groeps- en werkleiders was er ook een legertje sociaal werkers: psychiaters, psychologen, orthopedagogen, maatschappelijk werkers, geestelijk verzorgers, et cetera. Zij hielden regelmatig gesprekken met de jongens over hun voortgang. Elke zes weken vond een individuele rapportage plaats, waarvoor alle begeleiders input leverden. Op basis van dit document werd het beleid c.q. regime van de betroffen jongen bepaald en zo nodig aangepast. Als het de goede kant op ging – maar nooit het eerste jaar – werden voorzichtig de eerste stapjes gezet naar terugkeer in de samenleving. De jongen mocht dan bijvoorbeeld met begeleid verlof: een dagje de stad in, winkelen of boodschappen doen. Dat gebeurde (vrijwel) altijd één op één, dus één begeleider op één jongere. Een mogelijk volgende stap was met een maatschappelijk werker naar huis. “We hielden ook altijd de vinger aan de pols van de thuissituatie: was het verstandig dat de jongen weer naar huis ging? Dat was namelijk lang niet altijd het geval; veel pupillen kwamen uiteindelijk terecht in begeleid wonenprojecten.”
Integreerden zij weer in de samenleving? Daarover - en nog veel meer - gaat het in een volgend artikel.