
Foto: Archief Omroep Amersfoort
Zoals we in een eerder artikel hebben gezien was ‘Op de Berg’ een gesloten inrichting; de jongens kwamen in principe niet buiten. Maar een jeugdgevangenis - zoals bijvoorbeeld Eikenstein in Zeist - was het niet. ‘Op de Berg’ onderscheidde zich namelijk door het feit dat er veel energie gestoken werd in de behandeling van de jongens. Dat was de signatuur van de inrichting. Maar die insteek leverde verschillende problemen en dilemma’s op. Het was voortdurend schipperen, het zoeken naar een goede balans binnen het gehanteerde regime.
Kinderpsychologie
Het ging hier immers om het ‘verbeteren’ of ‘bijsturen’ van jongens die nog volop in ontwikkeling waren. Het stellen van een juiste diagnose, laat staan van een adequate behandelwijze levert voor deze groep specifieke moeilijkheden op. “Bij jongeren kun je persoonlijkheidsstoornissen natuurlijk nog niet zo duidelijk diagnosticeren als bij volwassenen. Het gedrag van een kind is sterk gebonden aan leeftijd en hangt af van de mate van ontwikkeling. Daar komt bij dat kinderpsychiatrische problemen ook door problemen in het gezin kunnen ontstaan.” Aldus kinder- en jeugdpsychiater Philip Teepe die eind jaren tachtig in ‘Op de Berg’ werkzaam was.
Dit speciale probleem zorgde voor een ingewikkelde balans tussen enerzijds een regime van tucht en orde, en anderzijds een regime dat vrijheid en zelfstandigheid aanleerde. Waar vanuit de samenleving dikwijls geroepen wordt om een strenge aanpak voor jeugdige criminelen, om een kadaverdiscipline, leert de wetenschap van de psychologie dat een harde aanpak voor opgroeiende pubers - waar we het hier immers over hebben - doorgaans funest uitpakt. Kinderen in de puberteit moeten leren om met meer zelfstandigheid en verantwoordelijkheid om te gaan. Een (te) harde aanpak in een gesticht beknot deze ontwikkeling juist; dat is een recept voor nog veel meer problemen.
Vanuit deze optiek koos het inrichtingswezen in die tijd - we hebben het dan over de jaren zeventig en tachtig - voor een aanpak, die sterk de nadruk legde op groepsprocessen en de ‘vertrouwdheid’ van het groepsvertrek, waarin de jongens moesten kunnen ervaren ‘dat ze geheel zichzelf mogen zijn’. Het accent lag op het begrip ‘huiselijkheid’. Het verblijf in het gesticht moest zoveel mogelijk lijken op het verblijf in een gewoon gezin. De groepsvertrekken moesten een huiselijk karakter krijgen; er moest ruimte komen voor eigen inbreng en persoonlijke invulling van de cel. Dit alles met het doel dat zij zich zouden ontwikkelen tot een volwaardig individu.
Het feit dat we hier van doen hadden met jongeren die nog volop in ontwikkeling waren, had en heeft natuurlijk ook gevolgen voor het strafrecht. Bij het strafrecht voor volwassenen - die min of meer ‘uitontwikkeld’ zijn - draait het vooral om het straffen van gedrag en om vergelding. Bij het jeugdstrafrecht is het uitgangspunt dat het gedrag van de jonge verdachte nog bij te sturen is omdat de hersenen nog volop in ontwikkeling zijn. Daarom zijn de straffen lager en bovendien moet er tijdens de uitvoering van de straf veel aandacht geschonken worden aan opleiding en les in sociale vaardigheden en omgaan met woede en agressie.

Directeur Sassen van Op de Berg (zesde van rechts) ontvangt een delegatie van de Belangenvereniging Minderjarigen, 5-2-1986. Foto: Nationaal Archief, fotocollectie Anefo, nr. 2.24.01.05 933-5592 (fotograaf: Rob Bogaerts)
‘Wij hebben ook rechten’
In het inrichtingswezen zocht men dus naar een evenwicht van discipline en vrijheid. De balans tussen beide verschoof voortdurend onder druk van nieuwe opvattingen en inzichten in de sociale wetenschappen en in de strafrechtketen. Maar ook bredere maatschappelijke ontwikkelingen lieten hun invloed gelden. Zo werd de rechtspositie van de ouders en hun kinderen in het inrichtingswezen steeds belangrijker. De opgesloten jongeren kregen in de loop van de tijd niet alleen plichten opgelegd, maar konden zich in de jaren zeventig en tachtig ook steeds meer beroepen op rechten. Wat was een fatsoenlijke behandeling voor de jongeren? Hadden de jongeren daar zelf ook nog iets over te zeggen? Waarom zou je naar hen luisteren? Hun positie was in principe dubbel kwetsbaar: zij waren niet alleen minderjarig, maar bovendien ook nog gevangenen, die een ernstige misstap hadden begaan.
Toch ontstond er in de democratiseringsgolf van die tijd een club die zich hard maakte voor de rechten van de jongeren in de diverse inrichtingen in Nederland. De in 1971 opgerichte Belangenvereniging Minderjarigen (BM) meldde zich regelmatig bij inrichtingen op de stoep en klaagde misstanden aan. Het bleek niet makkelijk om serieus genomen te worden. Bij gesprekken met de leiding van inrichtingen stuitten zij dikwijls op onbegrip. Op een patriarchale houding als: “kinderen, we doen dit uitsluitend voor jullie, klaag nu niet, maar wees blij dat we jullie willen opvangen en helpen, we hebben jullie immers uit de goot gehaald.” Desondanks kwamen eind jaren zeventig in het uitermate gesloten wereldje van het inrichtingswezen eindelijk de ramen en deuren op een kiertje open te staan. Er verschenen in korte tijd een aantal publicaties, die het nodige opzien baarden. De BM publiceerde onder andere in 1979 een Zwartboek en een organisatie van hulpverleners Waer Gebeurt bracht het rapport ‘Je voelt je als een beest’ (1980) uit. In diezelfde tijd maakte het Haarlemse Filmcollectief specifiek over de inrichting ‘Op de Berg’ de korte film In-richtingsverkeer (1979).

De presentatie van het zwartboek van de BM (1979). Foto: Nationaal Archief, fotocollectie Anefo, nr. 2.24.01.05 930-4579 (fotograaf: Koen Suyk)
Geweld
Deze initiatieven stelden onder meer het strafsysteem aan de kaak. In de inrichtingen was onvoorspelbaar, gewelddadig gedrag bijna aan de orde van de dag. Voortdurend hing er een dreiging van een explosie in de lucht, van een geweldsuitbarsting tussen de jongens onderling en/of tussen de jongens en de leiding. Dat het af en toe behoorlijk uit de hand liep, staat wel vast. Eind jaren zeventig kwam via de pers naar buiten, dat in ‘Op de Berg’ jongeren meerdere malen hulpverleners hadden gegijzeld; de leiding had dit echter met de mantel der liefde bedekt.
Ook vakdocent tuin Hans, die in de jaren tachtig in de inrichting werkte, herinnerde zich incidenten: “Als er de vorige dag ruzie was ontstaan tussen twee jongens, ging ik soms de volgende ochtend met lood in mijn schoenen naar mijn werk. Je wist immers nooit hoe de jongens de nacht uitkwamen. Waren ze tot rust gekomen of waren ze helemaal opgefokt? In het laatste geval, wist je zeker dat de boel zou ontploffen. Dan was het geen pretje om in ‘Op de Berg’ te werken.” Wat dat betreft hielp de aanwezigheid van Nico B., de moordenaar van Kerwin Duinmeier niet. “Toen hij er was gaf dat extra spanningen op de inrichting. Na zo’n racistische moord moet de moordenaar op z’n tellen passen. Er waren heel wat Surinaamse en Antilliaanse jongens die een appeltje met hem te schillen hadden.”
In dit gewelddadige milieu stond de leiding in de jaren zeventig en tachtig een breed scala aan instrumenten ter beschikking. Van afkoelen op de eigen cel tot het verstrekken van kalmerende middelen, van een goed gesprek met een groepsleider tot een verblijf in de ‘separatieruimte’.
In afzondering
Isolatie, eenzame opsluiting was lang geleden onderdeel van het dagelijks regiem geweest. Voor de Tweede Wereldoorlog werd bij een simpele overtreding van de huisregels de jongere in het cachot geworpen, maar die bijna dagelijkse routine bestond niet meer. Volgens nieuwe wetgeving uit 1961 mocht afzondering (niet langer in het cachot, maar in een apart vertrek) slechts in twee gevallen worden toegepast: in een situatie waarin de jongere een hysterische aanval kreeg, of om een minderjarige tot de orde te roepen. In de praktijk bleek de isoleercel - men sprak toentertijd van afzonderings- of separatieruimte - nog veelvuldig toegepast. Eind jaren zeventig kwam men bij een telling in verschillende rijksopvoedkundige gestichten tot 571 insluitingen, waarvan tweehonderd maal 24 uur of langer. Ook ‘Op de Berg’ paste het middel toe. Het Zwartboek van BM (1979) maakte melding van meerdere gevallen om diverse redenen, zoals: uitbraak (17 uur in separatie), te laat terug van verlof (13½ uur), conflicten in de groep (3, 4 en 4½ uur), weigering een opdracht uit te voeren, ging liever slapen (4½ uur).
‘Ervaringsdeskundige’ Henk, drie jaar lang bewoner van verschillende rijksinrichtingen, vertelde in 1987 een journalist van het Algemeen Dagblad: “ik heb er in totaal zes keer in gezeten. Vier kale muren, een deur met drie sloten en een flauw licht. Verschrikkelijk was dat. Mij persoonlijk hebben die nare uren in afzondering nauwelijks goed gedaan. Het effect is alleen dat je er agressiever door wordt.” Henk wist betere sancties om hem en zijn medegedetineerden op andere gedachten te brengen. Het intrekken van verloven bijvoorbeeld. “Die paar dagen buiten het tehuis waren heilig voor mij. Als je dat als straf krijgt, dan bedenk je je een volgende keer wel.”
De wetenschappelijke literatuur in die tijd bevestigde de opmerkingen van Henk. Er was toentertijd geen wetenschappelijke grondslag voor isolatie. Diverse onderzoeken in binnen- en buitenland wezen uit dat afzondering geen enkel pedagogisch doel diende, maar vooral werd toegepast uit onmacht van de staf en de groepsleiding, uit vergelding of als straf voor agressie, ongehoorzaamheid, weglopen etc. Ook directeur Sassen van Op de Berg beaamde in 1980 in De Volkskrant dat zijn personeel soms geen andere uitweg meer zag. “Ik heb er nooit in gezeten, maar ik weet dat het verschrikkelijk is. Wij willen de isolatie verminderen, maar je kunt niet verder gaan dan de spankracht van het personeel. Wij krijgen jongens die door andere tehuizen worden doorgeschoven omdat ze onhandelbaar zijn.”

De cellen van de jongens waren piepklein, met alleen ruimte voor een bed en een tafeltje met een stoel. Foto: Archief Omroep Amersfoort
Oudjaar liep uit de hand
Het gebruik van de isoleercel kwam eind jaren zeventig en begin jaren tachtig regelmatig in het nieuws en dat leidde tot nieuwe regelgeving. In 1978 werd een meldingsplicht ingevoerd wanneer kinderen voor langere tijd in afzondering werden geplaatst ‘omdat het kind voor zichzelf of zijn omgeving een gevaar vormt’. In 1982 werd besloten dat afzondering van minderjarigen als strafmaatregel niet meer mocht. “Afzondering zal in het vervolg uitsluitend mogen worden toegepast in gevallen waarin het gaat om een onbeheersbaar optreden van een minderjarige zodanig dat daardoor zijn eigen veiligheid of die van groepsgenoten of het personeel in gevaar wordt gebracht.” Ook aan de duur van de isolatie werden grenzen gesteld: minderjarigen van veertien jaar en ouder mochten maximaal twee dagen worden afgezonderd, eventueel te verlengen met nog eens twee dagen, voor jonger dan veertien jaar gold een duur van maximaal één dag, te verlengen met nog eens een dag. Trad na de maximale duur nog geen verbetering op in het gedrag van de jongere, dan kon hij buiten de groep worden geplaatst, dat wil zeggen dat hij (voor maximaal vijf dagen) in zijn eigen kamertje werd opgesloten.
De nieuwe regels maakten geen einde aan de isoleercel en het afzonderen van de jongeren, zo toonde Defense for Children aan in het rapport Afzondering (g)een uitzondering? (1986). Ook in ‘Op De Berg’ kwam een enkel geval naar buiten. Op 31 december 1985, op oudjaarsavond, was het tot onlusten gekomen en had een groep zijn recreatieruimte ‘verbouwd’. De dagen daarna moesten de jongens ‘s avonds op hun kamer blijven. De Belangenvereniging Minderjarigen sprak van ‘pure kindermishandeling van geestelijke aard’; een delegatie trok naar de inrichting en eiste toegang tot de ‘slachtoffers’. Maar de directie weigerde. Directeur Sassen had geen zin om het vastgestelde programma voor die dag aan te passen. ‘Op de Berg’ was geen open inrichting waar iedereen in en uit kon lopen, maar een gevangenis.

Een delegatie van de BM op de stoep bij Op de Berg. Foto: Nationaal Archief, fotocollectie Anefo, nr. 2.24.01.05 933-5591 (fotograaf: Rob Bogaerts)
Pappen en nathouden?
In het Parool keek Nico B. in 1989 terug op zijn verblijf in de rijksinrichting. “Die behandeling, dat is niks. Ze doen ook helemaal niks met je. Ze gooien je in een hok, je krijgt te vreten en te drinken, en een keer per week komt er iemand voor een gesprekkie. Dat stelt helemaal niets voor.” Hij vond dat hij in die jaren wel veranderd was; hij was ouder geworden en dus wijzer. Maar dat had niets te maken met het werk van de inrichting.
Of Nico zelf de beste beoordelaar was van het werk van ‘Op de Berg’ is twijfelachtig. Maar toen hij enige tijd na zijn vrijlating weer in de fout ging, kwam er een discussie los over de aanpak in de inricchting. Wat was nu het effect van de behandeling?
Desgevraagd zag het personeel zich soms voor een onmogelijke taak gesteld. “Het enige wat wij doen is pappen en nathouden,” zo liet een anonieme medewerker optekenen. De laatste directeur van ‘Op de Berg’, J. van den Eertwegh nuanceerde deze zelfkritische houding. “Nee, wij gaan wel degelijk aan de gang met de jongens. Vaak zijn ze al in vijf andere inrichtingen geweest. Overal werden ze uitgekotst. Alles is mislukt. Logisch dat ze niet erg gemotiveerd meer zijn. In praten hebben ze meestal geen zin meer. ‘Niet aan m’n kop zeuren’, zeggen ze dan. Dus gaan we met hen aan het werk. De jongens kunnen hier elk diploma in het voortgezet onderwijs halen.” Er staan werkplaatsen tot hun beschikking met kapitalen aan machines. Zij kunnen er lassen, timmeren, schilderen en sleutelen. Vooral autotechniek is populair. En de jongens krijgen ook trainingen om zich te redden in het dagelijks leven. Ze moeten zich bijvoorbeeld wassen, netjes eten en hun kamer opruimen. “Dat is al een hele klus, want er zitten varkens bij.” Ook moeten ze nog goed leren schrijven en rekenen. Door alle problemen hebben de meeste jongens geen goed onderwijs gevolgd. “Het is vervelend wat ze hebben gedaan. Maar nog erger vind ik, dat het al heel lang slecht met hen gaat. Ze hebben in hun kindertijd vaak de verschrikkelijkste dingen meegemaakt. Ik vergelijk sommige jongens wel eens met een mooie boom waarvan de wortels verrot zijn. Als zij tien jaar geleden net zo goed waren geholpen als kinderen met lichamelijke problemen, was het misschien nog goed gekomen. Wij kunnen er weinig meer aan doen.” Ondanks alle mooie woorden voelde de directeur zich uiteindelijk net zo machteloos als het personeel.

Een werkstuk met levensles. Foto: Hans
Gebrek aan diepgang
Allerlei deskundigen die professioneel met het werk van de rijksinrichting te maken hadden, stelden vragen bij de aanpak. Kritisch was bijvoorbeeld de indertijd gezaghebbende kinderrechter M. Hartzuiker: “De kinderen worden nu niet of nauwelijks psychiatrisch behandeld. Ik veronderstel dat de psychiater in Op de Berg zich meer bezighoudt met de groepsleiding dan met de jongens. Die krijgen in het beste geval een schildersopleiding, maar als je ziekelijk gestoord bent, en dat zijn de meesten, heb je meer aan psychiatrische hulp dan aan een verfkwast.”
Kinder- en jeugdpsychiater Teepe werkte jarenlang in het justitieel inrichtingswezen, waaronder in Op de Berg. Hij was het met de kritiek uit de juridische hoek niet eens. Anno 2005 gaf hij een interview aan Medisch Contact. Volgens hem had slechts een deel van de jongeren een serieuze psychatrische stoornis en kon hij of zij zonder medicatie niet functioneren in het dagprogramma. Die jongeren kwamen bij Teepe terecht. “Maar de jongeren met gedragsstoornissen hebben niet allemaal psychiatrische hulp nodig. Zij kunnen beter op een andere manier worden behandeld. Bij ons gebeurt dat door de groepsleiding en psychologen, met gedragsveranderende technieken.” Zoals hierboven door directeur Van den Eertwegh beschreven.
Gelijkaardig was het oordeel van de toenmalige directeur van het Pieter Baan Centrum, F. Beyaert: “Voor ongeremde pubers met autoriteitsproblemen biedt de behandeling geen psychotherapie. De nadruk ligt op het opvoedende element via orthopedagogie. Bij voorbeeld leren je aan afspraken te houden; een vak leren. Hoewel toegesneden op jeugdige delinquenten, kun je hier van een echte therapie niet spreken.” De jongens kregen er een soort heropvoeding. “Ze werden er geconfronteerd met het eigen gedrag. Als er bijvoorbeeld ruzie was, vroegen de therapeuten aan de betrokkenen of ze zich niet anders hadden kunnen gedragen. Zo leerden ze over zichzelf na te denken. Ze leerden er ook te praten, want als je verbaal uiting kunt geven aan je boosheid, hoef je niet te meppen. En je leerde er dat de wereld niet om jóu draait. Wat de opvoeding als doel heeft.” Al met al wilde Beyaert het werk op de inrichting niet helemaal afbranden: “Ze hebben hun best gedaan.”

F. Beyaert tijdens het Heinekenproces, 1988. Foto: Nationaal Archief, fotocollectie Anefo, nr. 2.24.01.05 934-2808 (fotograaf: Rob C. Croes)
Volgens hem waren er ernstiger problemen als het gaat om de behandeling van jeugdige misdadigers. Bijvoorbeeld de indertijd harde grens van 21 jaar in het jeugdrecht. Op die leeftijd stopte de behandeling, of de jongere daar nu klaar voor was of niet. Bovendien schoot ook de nazorg vaak tekort. Nico B. kwam bijvoorbeeld al weer na korte tijd in zijn oude milieu terug: bij zijn vader waar het voortdurend mee botste en bij zijn oude skinhead-vrienden.
Re-integratie in de samenleving?
Met Nico B. is het uiteindelijk niet goed afgelopen. Na een nieuwe steekpartij kreeg hij begin jaren negentig opnieuw gevangenisstraf opgelegd. Toen hij vrijkwam verdween hij voor lange tijd uit beeld, totdat hij ziek werd. Hij besloot nog één keer zijn verhaal te doen voor het programma Brandpunt-Profiel en enkele jaren later overleed hij.
Hoe het met de andere jongens van Op de Berg is afgelopen, daarover is weinig bekend. Indertijd haalden sommige oud-bewoners de krantenkoppen, zoals de zestienjarige Marcel van der M., die in 1981 in Noorwegen een meisje verkrachtte en vermoordde. In de jaren tachtig bestond het beeld dat de meerderheid van de jongens, zo’n zeventig procent, uiteindelijk niet goed terecht kwam: zij gingen de criminaliteit in of leefden als zwerver en/of junk aan de rafelrand van de samenleving. Een relatief groot deel van hen werd niet oud en maakte zelf een einde aan zijn leven. Slechts ongeveer één op de drie oud-bewoners wist buiten de criminaliteit te blijven.
Deze cijfers zijn sindsdien iets verbeterd, maar niet veel. Een recidiveonderzoek uit 2022 van het Wetenschappelijk Onderzoek en Datacentrum (WODC) over de periode 2008-2017 wees uit dat ongeveer zestig procent (de cijfers schommelden van jaar tot jaar) van voormalige gedetineerden in justitiële jeugdinrichtingen binnen twee jaar opnieuw met justitie in aanraking komt. Van die zestig procent pleegt zo’n 43-45 procent een minder zwaar delict, terwijl vijftien tot zeventien procent opnieuw voor een zeer ernstig feit wordt opgepakt.
Het zijn geen hoopvolle cijfers die de relativerende houding van het personeel van Op de Berg (‘pappen en nathouden’) lijken te rechtvaardigen. “Dertig procent is beter dan niets. Zonder deze eindstations had waarschijnlijk niemand het gered,” aldus een jeugdpsychologe in 1987.
Het is overigens te gemakkelijk om de schuld alleen bij de jongens te leggen. Het waren inderdaad geen lieverdjes, maar de samenleving maakte het hen bij terugkeer niet gemakkelijk. Nico B stuitte verschillende malen op protesten van buren, zodra bekend werd dat hij zich ergens wilde vestigen. Ook de pers gooide wat dat betreft olie op het vuur: De Telegraaf meende dat zijn lezerspubliek er recht op had de woonplaats van Nico te weten: een grote krantenfoto met een bijna even grote zwarte pijl wees de betreffende rijtjeswoning in Purmerend aan, waar hij precies woonde. Recht op privacy? Dat had hij klaarblijkelijk op die beruchte nacht in augustus 1983 verspeeld.
Voor de andere jongens gold en geldt: terug naar hun ouders en hun oude milieu was en is in veel gevallen geen optie. Het risico op herhaling is daarvoor te groot. Maar een nieuwe start elders is ook geen eenvoudige opgave. Waar zij vroeger hun status en identiteit ontleenden aan de groep waarin zij verkeerden, zijn zij ineens bijna volledig aan zichzelf overgeleverd. Er is vrijwel niemand om op terug te vallen en een nieuw netwerk van relaties opbouwen gaat met vallen en opstaan. Met voortdurend het gevaar voor terugval in de oude negatieve patronen. En de buitenwereld? Die reageert vaak afwijzend. Buren zitten niet te wachten op een inrichtingsklant, zo had een voormalig bewoner zelf ondervonden: “Mensen hebben ook allemaal vooroordelen tegen tehuisbewoners. Terugkeren in de maatschappij is verschrikkelijk moeilijk door al die vooroordelen. Zo kweek je misdadigers, want als iedereen toch al denkt dat je een dief bent, dan wordt je dat op een gegeven moment ook wel.”