De oplopende sociale spanningen aan het begin van de 20ste eeuw mondden in 1903 uit in een van de grootste arbeidsconflicten die Nederland heeft gekend. Inzet: het recht van arbeiders om zich te verenigen in een vakbond en om hun eisen kracht bij te zetten door middel van een staking. De naweeën van de acties laten zich nog lang voelen.
Januari-staking: daverend applaus
In januari 1903 slaat in de Amsterdamse haven de vlam in de pan. Arbeiders weigeren werk aan te nemen van een bedrijf waar het werknemers verboden is zich te organiseren. De actie slaat over naar het spoor en vanaf 29 januari wordt op alle treinstations in Amsterdam gestaakt. De haven- en spoorwerkgevers zijn volledig verrast.
De acties in Amsterdam raken ook spoorknooppunt Amersfoort. Het Amersfoortsch Dagblad (AD) meldt op zaterdag 31 januari: ‘Het verkeer is alhier op ’t moment, half elf, zeer ontregeld, vanuit Amsterdam is geen trein meer aangekomen.’ Later op die dag gaat ook station Amersfoort plat.
Aanleiding is het vervoer van militairen, die door de regering op grote schaal naar Amsterdam worden gedirigeerd om de orde te handhaven en het treinverkeer zo goed mogelijk te laten doorgaan. De afdeling Amersfoort van de Nederlandsche Vereniging van Spoor- en Tramwegpersoneel had op vrijdag 30 januari reeds een motie aangenomen waarin stond dat haar leden ‘onder geen voorwaarden’ militairen zouden vervoeren. Als op zaterdagmiddag op station Amersfoort een trein gereed staat om honderd militairen naar de hoofdstad te brengen weigert machinist Schutte dienst. Opzichter-machinist Van Rijn besluit vervolgens de trein dan maar zelf te rijden.
Net buiten het station komt de trein echter abrupt tot stilstand omdat de rem is vastgezet. Deze hapering ontlokt, aldus het AD, ‘vanaf den Vlasakkerweg een uitbundig gejuich aan de toeschouwers’. Enthousiasme dat wordt omgezet in actie. Het personeel van de Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij (HIJSM) die de treinverbinding met Amsterdam verzorgt, besluit massaal het werk neer te leggen. ‘Werkplaats, machineloods, vrachtbestelgoederenloods enz., alles liep in minder dan geen tijd leeg.’ Om zeven uur ’s avonds biedt het station een eigenaardige aanblik: de wachtkamer derde klas is geheel gevuld met militairen die het spooremplacement moeten bewaken. De overige wachtkamers en perrons zijn overvol met reizigers en nieuwsgierigen.

Machinist Schutte weigert een trein met militairen naar Amsterdam te rijden, 31 januari 1903. Tekening voor Domela Nieuwenhuis, tekenaar onbekend.
Intussen wordt er in Amsterdam door spoor- en havenbedrijven tot diep in de nacht overlegd hoe de ontstane situatie het hoofd te bieden. Als het stakingscomité aankondigt de acties te gaan uitbreiden naar acht andere spoorknooppunten, waaronder Haarlem, Rotterdam en Amersfoort, kiezen de autoriteiten eieren voor hun geld en willigen de eisen van de stakers in. Werkgevers erkennen de vakverenigingen en leggen hun leden niets in de weg, de stakers die waren ontslagen worden weer in dienst genomen en het loon over de stakingsdagen wordt uitbetaald.
Om één uur ’s nachts wordt besloten de staking te beëindigen. In Amersfoort hebben de actievoerders zich die avond verzameld in café de Arend, aan de Arnhemseweg. De Bestuurdersbond, een koepel van plaatselijke socialistische (vak)verenigingen, heeft de regie over de acties in de stad. Als A.J. Resink, de voorzitter van de Bestuurdersbond, tegen twee uur ’s nachts een telegram voorleest met de boodschap dat de staking is geslaagd en wordt beëindigd, wordt dit ‘met daverend applaus’ ontvangen. Besloten wordt het werk op zondagochtend weer te hervatten. Voorwaarde is wel dat de militairen onmiddellijk inrukken, ‘hetwelk geschiedde’.

‘Gansch het raderwerk staat stil, als uw machtige arm het wil’, Albert Hahn in Het Volk, 8 februari 1903
Worgwetten
Het succes van de staking leidt bij de socialistische arbeidersbeweging tot grote euforie. Tekenaar Albert Hahn verbeeldt deze in een beroemd geworden prent met de leuze: ‘Gansch het raderwerk staat stil, als uw machtige arm het wil.’ De werkgevers en de regering zijn zich rot geschrokken. Zij vrezen vervolgacties en sociale revolutie. De regering, die zich tijdens de staking volledig afzijdig heeft gehouden, krijgt in de kranten felle kritiek te verduren.
Onder druk van de publieke opinie én de confessionele vakbeweging besluit het kabinet onder leiding van de antirevolutionaire premier Abraham Kuyper hard in te grijpen. Reeds op 25 februari dient het kabinet een aantal wetsvoorstellen in waarin staken strafbaar wordt gesteld voor ambtenaren en personeel van cruciale sectoren zoals de spoorwegen.
Deze tegenactie roept bij de socialisten grote weerstand op; zij verzetten zich met hand en tand tegen wat zij de ‘worgwetten’ noemen. De verontwaardiging is zo groot dat socialisten van diverse pluimage die elkaar doorgaans vooral bestrijden, gaan samenwerken in een Comité van Verweer. In dit bonte gezelschap van syndicalisten, anarchisten, christensocialisten en sociaaldemocraten wordt een nieuwe spoorwegstaking voorbereid. Een landelijke massastaking ditmaal. De ambitie is dat arbeiders uit andere maatschappelijke sectoren zich hierbij aansluiten en het land volledig plat leggen. Het Comité van Verweer stelt veertig vertrouwensmannen aan die tot taak hebben op diverse plekken in het land het vuur op te porren en de acties te coördineren. Frederik van Eeden wordt aangewezen om de staking in Amersfoort te leiden, samen met de leden van de lokale Bestuurdersbond.
Van Eeden is een vreemde eend in het bonte gezelschap van socialisten in het Comité van Verweer. De sociaal bewogen arts en auteur van romans als Van de koele meren des doods en De kleine Johannes heeft zijn eigen ideeën over hoe de maatschappelijke ongelijkheid te bestrijden. Zijn visie is dat de arbeiders eerst economische macht moeten verwerven alvorens politieke macht na te streven. Werknemers moeten niet langer werken voor een baas die de opbrengst van hun arbeid doorverkoopt. Nee, zij moeten zich verenigen in coöperaties en produceren voor eigen behoeften. Geïnspireerd door de Amerikaanse schrijver Henry Thoreau sticht Van Eeden in 1898 in Bussum de landbouwkolonie Walden.
Deze aanpak is een doorn in het oog van de meeste socialisten, de SDAP voorop. Zij willen het kapitalistische systeem veranderen door middel van politieke strijd. In Walden en andere soortgelijke kolonies zien zij een vlucht uit de werkelijkheid. Van Eeden c.s. worden door hen weggezet als naïeve ‘bourgeois-utopisten’.
Dit steekt Van Eeden. Als hij tijdens de januari-staking toevallig voor een lezing in Amsterdam is ziet hij de impact van de acties: de onverzettelijkheid van de stakers, de soldaten op straat en, als hij de volgende dag naar Bussum fietst, de stroom van reizigers die zich mopperend te voet of met alternatief vervoer vanuit het Gooi naar het werk in Amsterdam begeeft. In zijn dagboek noteert hij: ‘Het was een groote emotie. Toen de overwinning. Dit is een historische dag.’ Van Eeden besluit aansluiting te zoeken bij deze maatschappelijke beweging. Hij geeft in het hele land lezingen over de werkstaking en zijn ideeën over coöperatievorming. Ook treedt hij toe tot het Comité van Verweer. Hiermee bevindt hij zich plotseling in het hart van de rode familie en trekt hij op met mensen als ‘us verlosser’ Domela Nieuwenhuis, mede-oprichter van de SDAP Willem Vliegen en vakbondsbons Henri Polak. Licht verbaasd maar vooral verheugd constateert hij dat zelfs Herman Gorter, collega-schrijver én marxist, hem een hand geeft.

Frederik van Eeden (1860-1932)
April-staking: hoopvol maar verslagen
Op 2 april beginnen in de Tweede Kamer de debatten over de ‘worgwetten’. Twee dagen later, op zaterdagavond 4 april besluit het Comité van Verweer tot een algemene spoorwegstaking. Deze moet beginnen in de nacht van 5 op 6 april. Tijdens een vergadering in het gebouw van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkers Bond in Amsterdam krijgt Van Eeden de opdracht de staking in spoorknooppunt Amersfoort te leiden. De volgende dag, zondag 5 april, rijdt hij vanuit Bussum op de fiets naar Amersfoort. Incognito, verkleed als arbeider omdat hij bang is herkend en door de politie tegengehouden te worden.
Dit was geen paranoia. De autoriteiten waren niet van plan zich nogmaals te laten verrassen door een staking en hadden hun maatregelen genomen. De werkgevers organiseerden zogenaamde Bonden van Orde, bestaande uit christelijke, en in het Zuiden katholieke, arbeiders die bereid waren het werk van stakers over te nemen. En de overheid had politie en leger in staat van paraatheid gebracht. Verschillende lichtingen dienstplichtigen moesten opkomen. In Amersfoort vroeg burgemeester Barchman Wuytiers om militaire bijstand bij een eventuele staking. In een – geheime – brief van 16 maart zei garnizoenscommandant Koolemans Beijnen deze steun toe, ‘op welk uur van de nacht of tegen welk uur van de morgen ook’.
Van Eeden bereikt Amersfoort echter ongehinderd, met een koffer vol pamfletten met revolutionaire teksten als: ‘Heden is de dag, dat het gansche Nederlandsche proletariaat zal opstaan tegen zijn onderdrukkers.’ Nadat hij zijn intrek heeft genomen in hotel Jens aan de Utrechtsestraat zoekt hij contact met de leden van de Bestuurdersbond. Ze treffen elkaar om drie uur ’s middags, in ‘een klein, vuil zaaltje’, aldus Van Eeden. Of dit in De Arend of elders was, wordt niet vermeld. In deze ruimte zouden hij en de leden van de Bestuurdersbond de komende week drie keer per dag een actiebijeenkomst houden met de stakende arbeiders. Over zijn bijdrage schrijft Van Eeden in zijn dagboek: ‘Ik sprak maar toe. Onvermoeid, zeer op mijn gemak, en behalve de eerste twee nachten, sliep ik goed. De mannen en vrouwen kregen me lief. “Als u lacht lachen we allemaal” zei er een. De dagen vlogen om, zonder een oogenblik van ontspanning.’
De Amersfoortsche Courant (AC) doet verslag van een van de eerste bijeenkomsten, waarschijnlijk de actievergadering in de nacht van zondag op maandag. Aanvang twaalf uur middernacht, einde drie ’s ochtends (!). Onder anderen voorzitter A.J. Resink en Frederik van Eeden voerden er het woord. De ongeveer dertig aanwezige spoorarbeiders, deels vergezeld door hun vrouwen, werden bijgepraat over het besluit om te gaan staken. Diverse sprekers gingen in op de aanleiding van de staking en plaatsten deze in een breder, ideologisch perspectief: ‘De bezitters stellen de wet en de niet-bezitter heeft geen vrijheid van arbeid, evenmin als een timmerman kan werken wanneer de een zijn hamer, de ander zijn beitel, een derde zijn zaag vasthoudt.’ Maar: ‘Als de arbeider solidair blijft, is de zege aan hem.’ De aanwezigen worden gemaand tot ‘kalm en bezadigd optreden en vooral zich te onthouden van sterkedrank en bier’. Frederik Van Eeden benadrukte in zijn betoog het unieke karakter van de samenwerking van de diverse fracties in het Comité van Verweer: ‘De oude veten zijn vergeten.’ De idealist in hem kon het niet laten de arbeiders ‘die nu óok eens wat vrijen tijd hebben’ op te roepen ‘om eens een en ander te lezen over de maatschappelijke toestand’. Hij waarschuwde echter niet te vertrouwen op de berichtgeving in de burgerlijke pers. Zo zou aan kranten zijn doorgeven dat in Amersfoort slechts drie personen van het machinepersoneel staakten terwijl ‘de waarheid is dat allemaal staken’.
Over wat het exacte aantal stakers was verschillen de actievoerders en de autoriteiten van mening, iets wat we tot op de dag van vandaag bij demonstraties nog steeds zien. De stakers hebben de neiging hun aantallen te overdrijven, de spoorwegmaatschappijen doen er alles aan de omvang van de staking te bagatelliseren. Zo zegt de stationschef tegen Van Eeden: ‘Staking? meneer waar praat u over? Ik weet niets van een staking. (…) Er waren alleen een paar dwazen, die hun posten verlieten.’
De Amersfoorsche Courant geeft echter in drie opeenvolgende edities een gedetailleerd overzicht van het aantal stakers. Bij de Hollandsche IJzeren Spoormaatschappij (HIJSM) legden in totaal 66 arbeiders het werk neer. Bij de afdeling Vervoer staakten 13 van de 162 werknemers (1 assistent, 6 rangeerders, 4 conducteurs, 1 remmer en 1 arbeider). Bij Tractie 53 van de 83 werknemers (9 machinisten, 12 leerling-machinisten en stokers, 7 bankwerkers en 25 ketelmakers, vuurwerkers en schilders). En bij de afdeling Weg en werken staakte niemand.
Cijfers van het aantal stakers bij de Nederlandsche Centraalspoorwegmaatschappij (NCS), die de lijn Utrecht – Zwolle exploiteerde, zijn er niet. Het landelijk beeld is dat de stakingsbereidheid bij de NCS aanzienlijk lager was dan bij de HIJSM. De NCS was een kleine maatschappij waar weinig mensen werkten. Dat maakte het voor arbeiders moeilijker om in staking te gaan dan bij de grotere HIJSM waar zij meer anoniem waren. Vanwege de geringe omvang van de NCS heeft het stakingscomité niet echt moeite gedaan daar ook een staking van de grond te krijgen.

Ook vanuit garnizoensstad Amersfoort werden militairen ingezet om stations te bewaken. Op de foto soldaten op het Damrak in Amsterdam (Wikimedia Commons)
Ultimatum
Op dinsdagochtend 7 april ontvangen alle stakers per brief een ultimatum van de spoorwegmaatschappijen: wie niet binnen twaalf uur weer aan het werk gaat, wordt onherroepelijk ontslagen. In Amersfoort heeft dit dreigement niet veel effect. Van Eeden schrijft in zijn terugblik Happy Humanity trots dat op die dag alle stakers in het actiecentrum bij elkaar kwamen - ‘er ontbrak niemand’ – en dat zij de brieven plechtig verbrandden.
Dit is enigszins overdreven. Uit de nauwkeurige boekhouding van de Amersfoorsche Courant blijkt dat in eerste instantie 59 van de 66 stakers werden ontslagen. Nadat na een paar dagen 11 van hen weer in genade waren aangenomen, komt het aantal ontslagenen op 55, aldus de krant. Hier gaat echter iets fout. De krant trekt het aantal mensen dat weer wordt aangenomen na ontslag af van het totaal aantal stakers. Die elf moeten echter worden afgetrokken van de 59 mensen die in eerste instantie waren ontslagen. Dan komt het aantal ontslagenen op 48. Dit cijfer correspondeert, niet exact maar in orde van grootte, met het aantal van 53 ontslagenen dat de Commissaris van Politie J. Goebe een week later in een brief aan de burgemeester noemt.
Wat de exacte aantallen ook waren, Frederik van Eeden kan oprecht trots zijn op de geringe uitval van de stakers na het ultimatum. De consequenties voor hen waren immers immens. Zolang de staking duurde kregen zij een uitkering uit de stakingskas. Maar na beëindiging van de staking zouden ze van de ene op de andere dag zonder inkomsten zitten; een sociaal vangnet bestond niet.
En het einde van de staking dient zich al snel aan. Hoewel er op diverse plekken in het land wordt gestaakt en de dienstregeling verstoord is, lukt het de spoormaatschappijen het treinverkeer gaande te houden. Werkwilligen – door de stakers ‘onderkruipers’ genoemd – vullen de ontstane gaten op. Ook in Amersfoort is de aanmelding van het aantal werkwilligen groot. Daarnaast bieden ook vrijwilligers hun diensten aan om taken op of rond het station over te nemen. De steun van de Amersfoortse bevolking voor de staking is dan ook gering. Militairen en politieagenten die op het station en in de stad wachtlopen krijgen meermaals door burgers sigaren aangeboden, en zelfs een Verkade-koek, meldt de krant. Frederik Van Eeden schrijft dat de stakers tijdens hun dagelijkse optocht door de stad door het publiek worden uitgemaakt voor stakkers.
Desondanks blijft de sfeer onder de stakers goed en hoopvol. Tijdens de dagelijkse bijeenkomsten om elf uur ’s ochtends, drie uur ’s middags en acht uur ’s avonds worden lezingen gehouden en strijdliederen gezongen. Via fietskoeriers, telegram en zelfs postduif druppelt informatie binnen over het verloop van de staking elders. Het Comité van Verweer stelt in die berichten de zaken rooskleurig voor en probeert zo de moed erin te houden. De stakers zijn maar al te bereid het goede nieuws te geloven. Het geratel van vertrekkende treinen en het geluid van de stoomfluit doen zij onder elkaar af als propaganda; de spoorwegmaatschappij zou, om hen te demotiveren, speciaal een trein met veel kabaal over het spooremplacement heen en weer laten rijden.
Van een uitbreiding van de spoorstaking naar andere sectoren is nauwelijks sprake. In de krant wordt gewag gemaakt van een actie van sigarenmakers die aan de algemene staking willen meedoen. Alleen al de aanzegging dat zij in staking zullen gaan zodra ‘de natte tabak zou zijn afgewerkt’ brengt de Amersfoortsche Vereeniging van Sigarenfabrikanten ertoe iedereen al bij voorbaat te ontslaan. Om hen na beëindiging van de spoorwegstaking allemaal weer in dienst te nemen.
Ook bij de Phoenix-brouwerij aan het Smallepad werd actiegevoerd. Aanleiding was een al langer lopend conflict omdat de directie van de Phoenix de Bierbrouwersgezellenvereniging niet wilde erkennen en drie werknemers ontsloeg. Zondagmiddag 5 april riep de Bestuurdersbond vervolgens een boycot uit van de brouwerij. Dit was nog vóór de afkondiging van de spoorwegstaking die zelfde avond. De actie bij de Phoenix kwam dus niet direct voort uit de spoorwegstaking maar had wel dezelfde aanleiding (erkenning van vakvereniging) en liep in tijd min of meer parallel aan de spoorwegstaking.
Ontreddering
Op donderdag 9 april neemt de Tweede Kamer de Stakingswetten aan. Dit is de nekslag voor de spoorwegstaking. Het Comité van Verweer besluit nog op dezelfde dag dat de staking op 10 april (Goede Vrijdag), 12.00 uur ’s middags wordt beëindigd. De ontreddering onder de stakers is groot. Van Eeden beschrijft hoe na het vernemen van het bericht een van de voormannen brak en op zijn schouder in huilen uitbarstte. Zelf is Van Eeden opgelucht dat het voorbij is. Ondanks zijn enthousiasme en bewondering voor de moed van de stakers is het hem gedurende de week duidelijk geworden dat zij een niet te winnen strijd streden. Hij maakt zich grote zorgen over het lot van de ontslagen stakers en voelt zich voor hen verantwoordelijk.
Via de stationschef van Amersfoort weet hij een onderhoud te regelen met de directie van de HIJSM. De volgende dag reist hij, voorzien van een petitie van de stakers, naar Amsterdam. Hij houdt een vurig pleidooi waarin hij een moreel beroep doet op de werkgevers om de stakers weer in dienst te nemen. Tevergeefs. Ontslagen blijft ontslagen. Van Eeden is verbijsterd over zoveel hardvochtigheid bij de directieleden, die hij omschrijft als ‘harder als hyena’s’. De stakers wordt plichtsverzuim verweten. ‘Maar deze mannen vervulden juist een hooger plicht, den hoogsten menschenplicht: hun plicht jegens hun kameraads, wien ze hun woord gegeven hadden.’ Hier strijden twee plichten, constateert hij. De plicht jegens de directie, ‘een gemeenschap die hen uitzuigt en bedriegt’ of de plicht jegens ‘hun lotgenooten in verdrukking’. ‘Welke een plicht zal en moet een edel, zelfstandig, rechtvaardig mensch kiezen? Hierop wacht ik antwoord van onze burger-moralisten.’
Ook de minister van Waterstaat, die Van Eeden een paar dagen later ontvangt, zwicht niet voor zijn betoog. Hij heeft begrip voor de ellende van de slachtoffers van de staking maar ziet geen rol voor de regering om hier iets aan te doen.
Met het mislukken van de staking is het ook gedaan met de eensgezindheid in de rode familie. Op zondagavond 12 april vindt in Amsterdam een vergadering van het Comité van Verweer plaats. Hier nemen de verschillende fracties in het comité elkaar de maat. De anarchisten verweten de sociaaldemocraten schuld te hebben aan de mislukking, en vice versa. Er wordt geschreeuwd en gehuild en met stoelen gesmeten.
Tegen het einde van de bijeenkomst, het is inmiddels maandagochtend, doet Van Eeden een oproep de ontslagen stakers te helpen. Naar schatting gaat het landelijk om tussen de twee- en drieduizend ontslagenen, en hun vrouwen en kinderen. Samen met twee andere leden neemt Van Eeden zitting in het Landelijk Comité tot steun van de slachtoffers der Algemeene Werkstaking. Hoewel hij nu een landelijke opdracht heeft blijft Van Eeden contact houden met ‘zijn’ mensen in Amersfoort. Dit contact loopt vooral via de ontslagen assistent-stationschef Klaas van ’t Veer (zie portret onder dit artikel). Deze Van ’t Veer richt in Amersfoort een comité op dat geld inzamelt voor de slachtoffers van de staking. De opbrengst van deze actie is niet bekend.

Herinneringspenning van de burgers van Amersfoort voor ‘Trouwe plichtsbetrachting’ van militairen en politie tijdens de spoorwegstaking (Collectie Oudheidkundige Vereniging Flehite)
Burgemeester en wethouders van Amersfoort besluiten ook om geld in te zamelen. Niet voor de slachtoffers van de staking maar voor de militairen en politie die met ‘bewonderenswaardigen ijver en plichtsbetrachting’ er voor hebben gezorgd dat ‘in deze Gemeente op geen oogenblik de orde is verstoord. Het komt ons voor, dat zij verdienen een stoffelijk blijk van sympathie van ons en onze ordelievende medeburgers te ontvangen’.
Deze oproep aan de ingezetenen van Amersfoort verschijnt vanaf 11 april in de kranten. In de dagen daarna wordt de tussenstand gepubliceerd, inclusief de namen van de gulle gevers. De giften variëren van één tot vijftig gulden. Na ruim een week wordt de inzameling afgesloten en de balans opgemaakt: f 760,- en een kistje met 100 sigaren. Uit deze opbrengst laat de gemeente een herinneringspenning vervaardigen. Een ronde bronzen medaille met een lintje, aan de voorkant voorzien van het wapen van Amersfoort en het opschrift ‘Trouwe plichtsbetrachting’ en ‘April 1903’. Aan de achterzijde: ‘Hulde. Van de Amersfoortsche burgerij’. Koninklijke Begeer vervaardigt de ere-penning. Kosten: 600 gulden voor 1060 exemplaren. Van het geld dat overblijft worden door gemeentesecretaris jonkheer Sandberg o.a. sigaren aangeschaft, bij het Sigarenmagazijn aan de Leusderweg en de Tabak- en Sigarenhandel aan de Langestraat, zo blijkt uit nota’s in het gemeentearchief. Kosten: twee keer acht gulden.
Pak slaag
Hoewel zich tijdens de staking ‘geen noemenswaardige feiten’ hebben voorgedaan, aldus burgemeester Barchman Wuytiers aan de Commissaris van de Koningin, is na afloop van de acties de spanning nog zeker niet uit de stad verdwenen. In de kranten krijgen de socialisten in het algemeen en het Comité van Verweer in het bijzonder er flink van langs. Hen wordt onverantwoord en zelfs misdadig gedrag verweten. Zij hebben het land grote schade berokkend en het vertrouwen van hun achterban misbruikt en beschaamd, en hen daarmee in diepe ellende gestort.
De berichtgeving, die tot dan toe redelijk neutraal was, krijgt tendentieuze trekken, zoals in de Amersfoortsche Courant op 18 april. De krant wijdt een artikel aan de begrafenis van soldaat A. Zalm, geboren in Amersfoort. Hij werd wegens de staking onder de wapenen geroepen en ingezet in Amsterdam en Amersfoort. ‘Door de zware diensten (…) schijnt de gezondheid van den vroeger zeer stevigen jongeling zeer ernstig geleden te hebben.’ Na een dienst op station Amersfoort van maandag tot dinsdagmiddag meldde hij zich dinsdagavond ziek en overleed woensdagmiddag.
In deze gepolariseerde sfeer voelt voorzitter Resink van de Bestuurdersbond zich geroepen in een ingezonden brief te verklaren dat hij ‘de eenige sociaal-democraat’ op de plaatselijke HBS is. En dat zijn collega’s niets te maken hebben met de boycot van de Phoenix-brouwerij en de spoorwegstaking. Resink, aangesteld op de HBS als tijdelijk leraar Natuurlijke historie, reageert hiermee op een anoniem strooibiljet dat in de stad is verspreid. Hierin wordt opgeroepen tot onmiddellijk ontslag van een aantal leraren aan de Hooger Burgerschool ‘waaraan wij onze kinderen toevertrouwen om er degelijke menschen van te vormen, maar geen socialisten, anarchisten en toekomstige vorstenmoordenaars’. Deze oproep blijkt voor wat betreft Resinks aanstelling effectief te zijn. Hij wordt niet herbenoemd.
Dit leidt in de Amersfoortse politiek tot stevige debatten en een reeks ingezonden brieven in de krant. Dit komt tot een hoogtepunt als de Vrijzinnige kiesvereniging Amersfoort een avond organiseert over de rechtspositie van ambtenaren. Al snel gaat het over het niet verlengen van de aanstelling van Resink. Socialisten en vrijzinnigen – een stroming die zich met name afzette tegen de dogmatisch denkende confessionelen – vinden dat hij om politieke redenen is ontslagen. Zij verwijten de liberale fractie in de gemeenteraad dat deze zich hier niet tegen heeft verzet.
Bron van spanning in de stad is met name ook de animositeit tussen de ontslagen spoorarbeiders en de werknemers die gedurende de staking aan het werk zijn gebleven. Op zondagmiddag 19 april leidt dit ter hoogte van de Phoenix-brouwerij aan het Smallepad tot de molestatie van machinist Meijer door een aantal ontslagen stakers. Het gaat er zo stevig aan toe dat directeur Meursing van de brouwerij ‘met een revolver gewapend meende te moeten tusschenbeide komen’.
Ondanks dit incident schrijft stationschef H.R. Kraspels van de HIJSM een dag later in een brief aan de burgemeester dat het rustig is op het station en het spooremplacement. In een bijlage bij deze brief bevestigt politiecommissaris J. Goebe dit. Van de 53 ontslagen spoorwerknemers heeft een deel reeds de stad verlaten en anderen zijn van plan dit te doen. ‘Uit het gedrag en de houding van het ontslagen personeel kan tot dusverre niet worden afgeleid, dat het en bloc een aanslag tegen het spoorwegstation of tegen de niet gestaakt hebbende personen zal ondernemen. Desniettegenstaande blijft de mogelijkheid bestaan, dat een of meer der niet-stakers vandaag of morgen een pak slaag krijgt van ontslagenen. (…) Voor zulk op zichzelf staande gevallen is het echter zeer moeilijk te waken,’ aldus de politiechef.
Ook bestaat de mogelijkheid dat er ’s nachts schade wordt toegebracht aan het materieel van de spoorwegmaatschappij. Commissaris Goebe adviseert de burgemeester om de politie extra te laten surveilleren. Hij heeft hiervoor dan wel zes tot acht extra mensen nodig, maar dan kan de militaire bewaking van het station worden opgeheven. Op zaterdag 25 april verlaten de militairen inderdaad station Amersfoort. Incidenten in relatie tot de spoorwegstaking doen zich daarna niet meer voor. Als de extra surveillances erop zitten stuurt commissaris Goebe een rekening van f 172,85 aan burgemeester Barchman Wuytiers voor de extra politie-inzet. Kostenposten: twintig revolvers (f 140,-), duizend patronen (f 24,-) en voor bewaking van de woningen van niet-stakers: f 8,85.

Rekening van de politie Amersfoort voor extra surveillance na afloop van de spoorwegstaking (Archief Eemland)
De naweeën
Ondanks het mislukken van de spoorwegstaking werken de gevolgen ervan nog lang door.
Met het indienen van de Stakingswetten besloot het kabinet-Kuyper ook een onderzoek in te stellen naar de arbeidsomstandigheden op het spoor. Op 11 april 1903 werd de Staatscommissie van Enquête omtrent het Spoorwegpersoneel ingesteld. In 1904 komt de commissie met haar verslag, waarin een gedetailleerd beeld werd geschetst van de omstandigheden, de klachten en de positie van het spoorpersoneel. Dit leidde onder andere tot het Reglement Dienstvoorwaarden 1905, afspraken tussen de overheid en de spoormaatschappijen over arbeidsvoorwaarden. Dit betekent enige verbetering van de werkomstandigheden op het spoor. Zo wordt groepsvertegenwoordiging mogelijk en kan er bij een disciplinaire straf een beroep worden gedaan op een ‘scheidsrechter’. Ook wordt het ontslag van werknemers beter geregeld en verbeteren de lonen, zij het met mate.
Het in 1903 ingestelde stakingsverbod voor ambtenaren en spoorwegpersoneel bleef gehandhaafd tot 1980. Onder invloed van internationale verdragen werd dit verbod in 1980 geschrapt. Staken is sindsdien een grondrecht voor ambtenaren, openomen in de Grondwet. Dit recht is echter niet absoluut. De rechter kan een staking beperken of verbieden als deze vitale publieke belangen schaadt. De organisatiegraad en stakingsbereidheid is bij de Nederlandse Spoorwegen relatief groot.
Het mislukken van de staking leidt tot een definitieve breuk tussen de vrije socialisten, de revolutionair socialisten (later communisten) en de sociaaldemocraten van de SDAP. Ook binnen de vakbeweging komt het tot een soortgelijke breuk. Vakbondsleider Henri Polak brak met het radicale en syndicalistische Nationaal-Arbeiders Secretariaat (N.A.S.). Hij zette de koers in naar een meer centralistische, ‘moderne’ vakbeweging, die zich minder met de politiek en meer met het behartigen van de individuele belangen van haar leden bezighoudt. In 1906 leidde dit tot de oprichting van het Nederlandsche Verbond van Vakvereenigingen (NVV).
Het einde van de spoorwegstaking gaf in Amersfoort een impuls aan de ontwikkeling van de Wagenwerkplaats. Het onderhoud aan het materieel van de HIJSM vond plaats in een werkplaats in Haarlem. Door de snelle groei van het spoorvervoer was er behoefte aan uitbreiding. Daarbij viel het oog op het terrein ten noorden van station Amersfoort. Daar was meer ruimte en bovendien lag Amersfoort centraler dan Haarlem.
De keuze om de onderhoudsactiviteiten naar Amersfoort te verplaatsen was reeds voor 1903 gemaakt. Dit betekende dat het personeel ook moest verhuizen. En daar zaten de meesten niet op te wachten. De spoorwegstaking bood de HIJSM de mogelijkheid om de druk op te voeren. Ook personeel van de onderhoudswerkplaats in Haarlem had gestaakt en was als gevolg daarvan ontslagen. Op voorwaarde dat ze naar Amersfoort zouden verhuizen werden tachtig arbeiders weer in dienst genomen. Deze verplichting maakte dat zij spraken over ‘deportatie’ en ‘strafkamp Amersfoort’. In 1904 werd de Wagenwerkplaats in Amersfoort geopend. De werkgelegenheid die dit opleverde leidde tot groei van de lokale economie en tot verdere ontwikkeling van het Soesterkwartier.
Frederik van Eeden hield zich nog geruime tijd bezig met het inzamelen van geld voor de slachtoffers van de spoorwegstaking. Toen na de eerste golf van sympathie de opbrengst dreigde te stagneren richtte hij een spaarfonds op. De veelal arme donateurs konden wekelijks een klein bedrag inleggen, in ruil voor een zegel. Was het zegelboekje vol dan konden zij het gespaarde bedrag met korting besteden in speciale, coöperatieve winkels. Met het spaargeld werden de brodeloos geworden stakers onderhouden. Win-win, zo leek het. In korte tijd sloten ruim veertigduizend arbeiders zich aan bij de verbruikerscoöperatie ‘De Eendracht’.
Het succes groeide Van Eeden en zijn kompaan echter al snel boven het hoofd. In 1907 stortte het spaarsysteem in en werd Van Eeden failliet verklaard. Drie weken later ging ook de landbouwcoöperatie Walden ten onder. Van Eeden zoekt dan zijn heil in de Verenigde Staten, waar hij probeert een Walden II van de grond te krijgen. Terug in Nederland is hij in 1916 betrokken bij de oprichting van de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISW) in Leusden.

Havik 20, het voormalige café De Toekomst, verenigingsgebouw van de socialisten (foto Theo Hendrikse)
In zijn tocht door het land om geld in te zamelen voor de ontslagen spoorwerknemers doet Van Eeden op 20 november 1903 ook Amersfoort aan. Hij houdt een lezing in gebouw De Toekomst aan het Havik 20. Hierin blikt hij terug op het verloop van de spoorwegstaking. Van Eeden concludeert dat de arbeidersbeweging door gebrek aan organisatievermogen zelf debet is aan het mislukken van de staking. Maar hij stelt ook tevreden vast dat de beweging alles behalve genekt is. ’Dat kan men hier in Amersfoort wel zien, waar niet langer vergaderd wordt in een rookerige “samenzweerdersspelonk” doch men nu een eigen verenigingsgebouw met behoorlijke zaal heeft.’ Een zaal die volgens de Nieuwe Amersfoortse Courant ‘eivol’ zat met ‘een zeer gemengd publiek’.
------------------------------------------------------------
[Portret]
Klaas van ’t Veer – van staker tot straatnaam
Klaas van ’t Veer (1869-1921) was in Amersfoort een van de voormannen van de tweede spoorwegstaking. Bij hem en zijn vrouw Jacoba aan de Oude Vlasakkerweg logeerde Frederik van Eeden tijdens de stakingsweek in april 1903. Na afloop van de staking hielden Van Eeden en Van ’t Veer intensief contact. De ontslagen spoorwegstaker Van ’t Veer kreeg na jaren van sappelen en werken in dienst van de rode beweging in Alkmaar een straat naar zich vernoemd.

Klaas van ‘t Veer (foto: Regionaal Archief Alkmaar)
Bij het uitbreken van de staking werkte Klaas van ’t Veer als assistent Buitendienst voor de HIJSM. In die functie hield hij op het rangeerterrein van station Amersfoort toezicht op veiligheid en de samenstelling van de goederen- en personeelstreinen. Zwaar werk, zo vertelde Van ‘t Veer tegen de leden van de Enquêtecommissie Spoorwegstaking. Hij draaide, samen met de rangeerders waaraan hij leiding gaf, diensten van twaalf uur. Vooral de nachtdienst van zes uur ’s avonds tot zes uur in de ochtend waren zwaar. Rusten was er niet bij op het 700 meter lange rangeerterrein: ‘Ik moest de geheelen nacht lopen, want voor de veiligheid was ik ook aansprakelijk, zoodat ik zoowel voor als achter aan het station moest zijn, wanneer er twee treinen tegelijk binnen kwamen.’
Van ’t Veer somt voor de enquêtecommissie een reeks aan klachten op, van hemzelf en de rangeerders. Er was te weinig personeel voor de hoeveelheid werk. En als er extra mensen werden aangenomen waren het ‘halfbakken mannetjes, die den dienst niet verstaan’. Daar had je alleen maar last van en het verhoogde het risico op ongelukken. Fouten werden genadeloos afgestraft met een korting op het toch al lage loon. De personeelsruimte was klein en ‘bekrompen’. Zonder verwarming en privaat. Drinkwater moest uit de sloot worden gehaald, ‘dikwerf werden er kleine kikkertjes in gevonden en het ziet soms melkwit’. Kortom: ‘Ik had een slecht leven en herhaaldelijk heb ik om overplaatsing gevraagd, maar hoewel de inspecteur zelf mijne bezwaren erkende, werd ik gedreigd met verlaging van het loon bij overplaatsing.’
Ondanks al deze grieven was Van ’t Veer – en met hem de meeste Amersfoortse spoorarbeiders, zo stelt hij – geen voorstander van de staking: ‘(…) men wilde ordentelijk met de Maatschappij onderhandelen.’ De arbeiders waren vooral verbitterd dat de HIJSM niets deed met hun klachten. Ook waren zij verbolgen dat de spoormaatschappij hun vakvereniging niet erkende, ‘zoodat we in het geheim moesten vergaderen’. Toen het Comité van Verweer opriep tot een politieke staking tegen de Worgwetten en de vakorganisatie – de Nederlandsche Vereeniging van Spoor- en Tramwegpersoneel – daar gehoor aan gaf, konden zij niet achterblijven. Zij deden mee, uit solidariteit. Van ’t Veer: ‘Ja, omdat men georganiseerd was. Men moet dan al eens meedoen, al is men het voor zich zelf niet eens met een besluit.’
De prijs van deze solidariteit was hoog. Klaas van ’t Veer werd ontslagen en moest zichzelf en zijn gezin in leven zien te houden met allerlei kleine, slecht betaalde klusjes. Een vaste betrekking vinden lukte niet, want op zijn getuigschrift stond met dikke letters: ‘Deelgenomen aan den Spoorwegstaking’. Frederik van Eeden bood hem aan om op Walden te komen wonen en werken. Klaas en zijn vrouw zijn daadwerkelijk op de kolonie wezen kijken, maar Jacoba zag er geen heil in. Zij vond het er vuil en wantrouwde het idealisme van de bewoners, vertelde zij later aan haar kleinzoon. ‘Bij haar bezoek had zij in de hal van het hoofdgebouw (…) een schaal met kleingeld zien staan. Het geld was bestemd voor de aankoop van artikelen, die de kolonisten zelf niet konden voortbrengen. Van Eeden vulde deze schaal, aldus mijn grootmoeder, aanvankelijk eens per maand, daarna eens per veertien dagen, toen eens per week, en ten slotte kon hij er wel dagwerk van maken. Dat de behoeften der kolonisten, die naar eigen inzicht vrijelijk uit de schaal mochten putten, zo snel konden stijgen, wilde mijn grootmoeder niet accepteren.’
Van Eedens aanbod werd afgeslagen en het echtpaar Van ’t Veer opende een volkskoffiehuis in Utrecht. Dit was een coöperatie en een verzamelplek voor socialistische arbeiders. Er werd verpoosd, gediscussieerd en vergaderd. Alcohol was er, geheel in overeenstemming met de principes van de Blauwe-Knoopbeweging, uit den boze. De opbrengst was matig en het hielp niet dat op nationale hoogtijdagen zoals Koninginnedag, dit rode bolwerk der geheelonthouding door ‘alcoholische Oranjepret’ werd aangevallen en beschadigd.
Na een paar jaar verhuizen Klaas en Jacoba naar Alkmaar, terug naar hun geboortestreek. Zij openen opnieuw een volkskoffiehuis, maar ook dat wordt geen vetpot. Fredrik van Eeden is inmiddels naar de Verenigde Staten afgereisd en maakt plannen om daar een tweede Walden te stichten. Hij weet, enigszins verwonderlijk gezien Jacoba’s eerdere bezwaren, het echtpaar Van ’t Veer over te halen om zich aan te melden als ‘aspirant-kolonisten’.
Concreter dan dat worden de emigratieplannen echter niet. In afwachting van de grote oversteek naar het beloofde land biedt Van Eeden in 1909 de Van ’t Veers opnieuw aan om zich te vestigen op het landgoed Walden. De landbouwkolonie is in 1907 ineengestort, maar op het landgoed zijn nog enkele kolonisten als pachter blijven hangen. Ook is er, op de resten van de kolonie, een elektrische broodbakkerij verrezen, waar het vandaag de dag nog bekende Panda-brood wordt gebakken. Klaas van ’t Veer wordt directeur van deze bakkerij en rentmeester van het landgoed.
Er volgen drie jaren van soebatten en zakelijke conflicten met pachters, winkeliers die het brood verkopen en schuldeisers die geld willen zien. In 1912 houdt Van ’t Veer, meer idealist dan boekhouder en zakenman, het voor gezien en verhuist opnieuw naar Alkmaar. Hij verdient de kost als verzekeringsinspecteur, maar stort zich vooral op een carrière in de socialistische beweging. Hij wordt onder andere gemeenteraadslid en fractievoorzitter van de SDAP en richt de arbeiderswoningbouwvereniging Rochdale op. Als Klaas van ‘t Veer in 1921 onverwachts overlijdt gaan de eerste spaden voor de woonwijk Rochdale de grond in. In de arbeiderswijk wordt een straat naar hem vernoemd. Tot op de dag van vandaag verbindt de K. van ’t Veerstraat de Karl Marxstraat met de Meester P. J. Troelstrakade.